Instellingen

1


En het geschiedt hierna

dat David bij de Ene de vraag stelt
   en zegt: zal ik opklimmen

in een van de steden van Juda?,
en de Ene zegt tot hem: klim op!
Dan zegt David:
   waarheen zal ik opklimmen?,
   en hij zegt: naar Hebron!

2


David klimt daarheen op,

en ook zijn twee vrouwen:
Achinoam de Jizreëlitische
en Avigajil,
de vrouw van Nabal de Karmeliet.

3


Zijn mannen die met hem zijn
   heeft David ook laten opklimmen,
   ieder met zijn huis;

zij zetten zich neer in de steden van Hebron.

4


Dan komen de mannen van Juda

en zalven daar David tot koning
   over het huis van Juda;

ze melden aan David en zeggen:
de mannen van Javeesj Gilead zijn het
die Saul hebben begraven!
••

5


David zendt de boden uit

naar de mannen van Javeesj Gilead,-
en zegt tot hen:
gezegend zult gij wezen door de Ene,
gij die deze daad
   van vriendschap hebt bewezen

aan uw heer, aan Saul,
en hem hebt begraven!-

6



moge de Ene aan u bewijzen
   daden van vriendschap en trouw!-

en ook ik
zal aan u het goede doen
omdat ge dit woord hebt gedaan!-

7


en nú moeten uw handen sterk zijn:

wordt tot zonen van kracht,
al is uw heer, Saul, dood;
ook mij
hebben zij, het huis van Juda,
   gezalfd tot koning over hen!