Instellingen

1


Er geschiedt honger in Davids dagen,
   drie jaren lang

jaar na jaar,
en David zoekt het aanschijn van de Ene;
••
en de Ene zegt:
het is om Saul en om zijn bloedhuis,
omdat hij de Gibeonieten heeft gedood!

2


Dan roept de koning de Gibeonieten
   en zegt tot hen:

de Gibeonieten
zijn niet uit de zonen van Israël
maar uit het restant van de Amoriet,
en de zonen van Israël
   hebben hun een eed gezworen,

maar Saul heeft ernaar gezocht
   om hen neer te slaan,-

in zijn ijver voor de zonen van Israël en Juda;

3


en, zegt David tot de Gibeonieten,

wat moet ik voor u doen?,
en waarmee kan ik verzoening bewerken
dat ge het erfdeel van de Ene zult zegenen?

4


De Gibeonieten zeggen tot hem:

het is ons niet te doen om zilver en goud
   bij Saul en bij zijn huis

en het gaat ons er niet om
   iemand in Israël te doden!

Hij zegt: wat zegt gíj – ik zal het voor u doen!

5


En zij zeggen tot de koning:

van de man die ons heeft willen afmaken
en over ons zich heeft voorgesteld
dat wij verdelgd zouden worden
en in heel Israëls gebied niet meer bestaan,-

6


moge aan ons gegeven worden
   een zevental mannen uit zijn zonen,

die wij zullen vermorzelen voor de Ene
   in Gibea van Saul,
   de verkorene van de Ene!

••
De koning zegt: ik zal ze geven!

7


Maar de koning spaart

Mefibosjet, de zoon van Jehonatan
   de zoon van Saul,-

om de eed bij de Ene tussen hen:
tussen David
en Jehonatan, Sauls zoon.

8


Dan neemt de koning

de twee zonen van Ritspa,
   dochter van Aja
   die zij aan Saul heeft gebaard,

Armoni en Mefibosjet,-
en de vijf
zonen van Sauls dochter Michal
die zij heeft gebaard aan Adriël,
   zoon van Barzilai
   de Mecholatiet.

9


Hij geeft hen over

in de hand van de Gibeonieten,
en zij vermorzelen hen op de berg
   voor het aanschijn van de Ene;

zo vallen zij, die zeven tezamen;
zij zijn ter dood gebracht
   in de dagen van de oogst,
   in het begin,

de aanvang van de gersteoogst.

10


Dan neemt Ritspa, de dochter van Aja,
   de rouwzak
   en spreidt die voor zich uit over de rots,
   vanaf de aanvang van de oogst

totdat vanuit de hemel
   water over hen zou worden uitgegoten;

ze heeft het gevogelte des hemels
   geen kans gegeven
   overdag zich op hen neer te laten

noch het wild van het veld des nachts.

11


Als aan David wordt gemeld,-

wat Ritspa, de dochter van Aja,
   een bijvrouw van Saul,
   heeft gedaan,

12


gaat David heen

en neemt hij
de beenderen van Saul
   en de beenderen van zijn zoon Jehonatan

weg bij
de heren van Javeesj Gilead,-
die zij hebben gestolen
   van het plein van Bet Sjan

waar de Filistijnen hen hebben opgehangen
op de dag
dat de Filistijnen Saul hebben verslagen
   op de Gilboa.

13


Hij klimt daarvandaan op
   met de beenderen van Saul

en de beenderen van Jehonatan, zijn zoon;
ze verzamelen
de beenderen van de vermorzelden

14


en begraven ze met de beenderen van Saul,
   en Jehonatan,
   zijn zoon, in het land van Benjamin in Tsela,

in het graf van Kiesj, zijn vader,
en doen zo
al wat de koning heeft geboden;
dan laat God zich verbidden voor het land,
   na dit alles.