Instellingen

1


De toorn van de Ene houdt áán

tegen Israël te ontvlammen;
hij zet David tegen hen op door te zeggen:
ga heen, tel Israël en Juda!

2


Dan zegt de koning tot Joab,
   de overste van de strijdmacht die bij hem is:

trekt toch rond
door alle stammen van Israël,
   van Dan tot Beëer Sjeva

en monstert de gemeenschap;
weten wil ik
het getal van de gemeenschap!
••

3


Joab zegt de koning:

de Ene, je God,
   zal aan de gemeenschap toevoegen
   zoals ze zijn wat ze zijn honderd keren

terwijl de ogen van mijn heer de koning
   het zien;

maar, mijn heer de koning,
waarom heeft hij behagen gekregen
   in dit gesprokene?

4


Maar het gesprokene van de koning is Joab

en de oversten van de strijdmacht te sterk;
Joab trekt met de oversten van de strijdmacht
   voor het aanschijn van de koning uit,

om de gemeente, Israël, te monsteren.

5


Ze steken de Jordaan over;

ze legeren zich in Aroëer,
rechts van de stad
   die onder in het beekdal van de Gad ligt,
   en trekken naar Jazeer.

6


Ze komen bij de Gilead

en in de landstreek Tachtiem Chodsji;
ze komen op Dan Jaän aan
en rondom bij Tsidon.

7


Ze komen in de vesting van Tsor

en alle steden van de Chiviet
   en de Kanaäniet;

dan trekken ze uit naar het zuiden van Juda:
   Beëer Sjeva.

8


Ze trekken rond door heel het land,-

en komen,
   na verloop van negen nieuwemanen
   en twintigmaal een dag, aan in Jeruzalem.

9


Joab geeft het getal van de gemonsterden
   van de gemeenschap aan de koning,-

en dan blijkt Israël te bestaan uit
achthonderdduizend
   zwaardtrekkende mannen van macht;

en het manvolk van Juda:
vijfhonderdduizend man.

10


Maar Davids hart bonst in hem* Letterlijk: slaat hem.,

nadat hij de gemeenschap heeft geteld;
••
David zegt tot de Ene:
ik heb zeer gezondigd
   met wat ik heb gedaan!-

nu dan, Ene,
laat toch het onrecht van uw dienaar
   voorbijtrekken,

want ik heb heel dwaas gedaan!

11


Als David in de ochtend opstaat,-


is het woord van de Ene
geschied aan de profeet Gad,
Davids ziener; het heeft gezegd:

12


ga heen

en spreek tot David:
zó heeft de Ene gezegd:
drie dingen
leg ik over je;
kies je één ervan uit
   en dat zal ik voor je doen!

13


Gad komt bij David binnen
   en meldt het hem;

hij zegt tot hem:
moet er voor jou
   een zevental jaren van honger komen
   in het land,

of een drietal maanden
   dat je moet vluchten
   voor het aanschijn van je benauwers,
   terwijl die je achtervolgen,

of dat er een drietal dagen
   pest woedt in je land?-

nu dan, weet dit en bezie
wat het woord wordt
   waarmee ik zal terugkeren
   tot mijn zender.

••

14


Dan zegt David tot Gad:
   het benauwt mij zeer;

mogen wij toch vallen
   in de hand van de Ene,
   want zijn barmhartigheden zijn vele

en in de hand van een mens
   wil ik niet vallen!

15


Dan geeft de Ene pest in Israël,

vanaf die ochtend
   tot aan de overeengekomen tijd;

er sterft in de gemeenschap,
van Dan tot Beëer Sjeva,
zeventigduizend man.

16


Maar als de engel zijn hand uitstrekt
   naar Jeruzalem
   om dat te verderven

krijgt de Ene berouw over het kwaad
en zegt hij tot de engel
die in de gemeenschap verderf zaait: genoeg
is het nu,
laat je hand zakken!
De engel van de Ene was toen
bij de dorsvloer van Arauna de Jeboesiet.
••

17


David zegt tot de Ene,
   als hij ziet hoe de engel inslaat
   op de gemeenschap,-

hij zegt: zie, ik heb gezondigd
   en ik heb onrecht begaan;

zij hier, de schapen, wat hebben zij gedaan?-
laat toch uw hand woeden
   tegen mij en het huis van mijn vader!

18


Op diezelfde dag komt Gad bij David;

hij zegt tot hem:
klim op,
   laat voor de Ene een altaar verrijzen

op de dorsvloer van Arauna de Jeboesiet!

19


Dan klimt David op,
   naar het woord van Gad,

zoals de Ene heeft geboden.

20


Arauna kijkt uit

en ziet de koning en zijn dienaren
oversteken naar hem;
hij trekt naar buiten, Arauna,
en buigt zich neer voor de koning,
   zijn neusgaten
   ter aarde.

21


Arauna zegt:

waarom wel is mijn heer de koning
   tot zijn dienaar gekomen?

David zegt:
   om van jou de dorsvloer te kopen,

om een altaar voor de Ene te bouwen
opdat deze neerstoting wordt afgewend
   van over de gemeenschap!

22


Arauna zegt tot David:

laat mijn heer de koning nemen
   en doen opgaan
   wat goed is in zijn ogen;

zie: het rundvee voor een opgangsgave,
de dorssleden en het tuig van de runderen
   als brandhout,

23


dit alles

heeft Arauna, o koning,
   gegeven aan de koning!

••
En Arauna zegt tot de koning:
moge de Ene, je God,
   welbehagen in u hebben!

24


De koning zegt tot Arauna:

nee, want kopen wil ik het van jou,
   kopen voor de prijs,

ik zal voor de Ene, mijn God,
   geen opgangsgaven
   doen opgaan om niet!

Zo koopt David de dorsvloer
   en het rundvee

voor zilver, vijftig sikkels.

25

David bouwt daar een altaar voor de Ene
en doet opgangsgaven opgaan
   en vredesgaven;

de Ene laat zich verbidden voor het land
en de neerstoting
wordt afgewend van over Israël.