Instellingen

1


Het geschiedt

als de koning zetelt in zijn huis,-
en de Ene hem rust geschonken heeft
   van rondom,
   van al zijn vijanden,

2


dat de koning zegt tot Natan de profeet:

zie toch aan,
ik zetel in een huis van cederhout,-
en de ark van God
zetelt onder het tentdoek!

3


Dan zegt Natan tot de koning:

al wat er in je hart is, ga en doe het,-
want de Ene is mét je!
••

4


Maar het geschiedt in die nacht

dat het woord van de Ene geschiedt
tot Natan en zegt:

5


ga heen, zeggen moet je tot mijn dienaar,
   tot David:

zo heeft gezegd de Ene:
zul jíj voor mij een huis bouwen
   waarin ik kan zetelen?-

6


want ik heb niet in een huis gezeteld

vanaf de dag dat ik de zonen van Israël
deed opklimmen uit Egypte
tot op deze dag;
ik ben heen en weer blijven gaan
in een tent, in een tabernakel;

7


overal waar ik heen ging
   met alle zonen Israël,-

heb ik toen ooit een woord gesproken
met één van Israëls stamrechters
die ik gebood
om mijn gemeente, Israël, te weiden,
   en gezegd:

waarom hebt ge voor mij niet gebouwd
   een huis van cederhout?!-

8


en nu moet je zó zeggen

tot mijn dienaar, tot David:
zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
ik heb jou meegenomen van de weide,
van achter de schapen,-
om leidsman te worden
over mijn gemeente, over Israël;

9


ik ben met je geweest

overal waar je ging
en heb al je vijanden weggemaaid
   van je aanschijn;

maken zal ik voor jou een naam zo groot
als de naam van de groten der aarde;

10


vaststellen zal ik voor mijn gemeente,
   voor Israël,
   een plaats;
   planten zal ik hem
   en wonen zal hij op zijn plek

en niet meer opgeschrikt worden;
kinderen der verkeerdheid
   zullen hem niet meer verdrukken

zoals in het eerst,-

11


en sinds de dag

dat ik over mijn gemeente Israël
   richters heb geboden;

rust zal ik je verschaffen van al je vijanden;
gemeld heeft voor jou de Ene
dat hij een huis voor jou zal maken, de Ene!-

12


want zijn je dagen vervuld

en zul je zijn gaan liggen bij je vaderen,
doen opstaan zal ik dan je nazaat na jou
die uit je ingewanden is uitgetogen;
zijn koningschap zal ik bevestigen;

13


hij zal voor mijn naam een huis bouwen,-

en vastzetten zal ik
   de troon van zijn koningschap
   tot in eeuwigheid;

14


íkzelf zal hem tot vader zijn

en hij zal mij tot zoon wezen:
als hij misdoet
zal ik hem straffen met een stok van mannen
en met plagen van zonen van Adam;

15


mijn vriendschap zal niet van hem wijken,-

zoals ik die wel heb doen wijken van Saul
die ik heb verwijderd van voor je aanschijn;

16


je huis en je koningschap
   zal aan je aanschijn worden toevertrouwd;

je troon
zal wezen: vaststaand tot in eeuwigheid!

17


Naar al deze woorden

en naar alles van deze aanschouwing,-
zó heeft Natan tot David gesproken.
••

18


Dan komt koning David binnen

en zet zich neer
   voor het aanschijn van de Ene;

hij zegt:
wie ben ik,
Heer-over-mij, Ene, en wat is mijn huis,
dat ge mij tot hiertoe hebt doen komen?-

19


en dit is nog te klein in uw ogen,
   Heer-over-mij, Ene!-

en ge spreekt ook
   tot het huis van uw dienaar
   in verre tijden;

dit als onderricht over de mensheid,
   Heer-over-mij, Ene!-

20


wat zal David nog toevoegen
   aan zijn spreken tot u?-

gij kent uw dienaar, Heer-over-mij, Ene!-

21


omwille van uw woord
   en overeenkomstig uw hart

hebt gij
al dit grote gedaan
en bekendgemaakt wie uw dienaar is;

22


daarom zijt gij groot,
   Heer-over-mij, Ene;

want niemand is als gij
en niemand is God behalve gij,
blijkens al wat wij
   met eigen oren hebben gehoord!-

23


en wie is als uw gemeente, als Israël,-

het enige volk op de aarde,-
waarheen goden zijn gegaan
   om het zich los te kopen tot gemeente

en om zich een naam neer te zetten;
om voor hen iets groots te doen,
   vreeswekkende dingen
   voor uw land

vanwege de verschijning van uw gemeente
die gij u hebt losgekocht uit Egypte,
verdrijvend volkeren en hun goden;

24


gij hebt voor uzelf
   uw gemeente Israël gevestigd,

u tot gemeente tot in eeuwigheid;
gij, Ene,
zijt voor hen tot God geworden!-
••

25


nu dan, Ene, God,

het woord
dat ge hebt gesproken
   over uw dienaar en over zijn huis,

geef het bestand tot in eeuwigheid!,
en doe zoals ge hebt gesproken!-

26


en groot zal uw naam zijn
   tot in eeuwigheid,
   dat men zal zeggen:

de Ene, de Omschaarde,
is God over Israël!,
en het huis van uw dienaar, van David,
zal vaststaan voor uw aanschijn;

27


want gij, Ene, Omschaarde, Israëls God,

hebt het oor van uw dienaar ontbloot
   en gezegd:

een huis bouw ik voor u!-
daarom heeft uw dienaar het hart gehad
om tot u te bidden
met dit gebed!-

28


nu dan, Heer-over-mij, Ene,

gij zijt het die God is,
en uw woorden zullen waarachtigheid zijn;
gij spreekt tot uw dienaar
dit goede!-

29


nu dan, onderneem het
   en zegen het huis van uw dienaar,

zodat het voor eeuwig mag blijven
   voor uw aanschijn;

want zelf hebt gij,
Heer-over-mij, Ene, gesproken
en door uw zegen
zal het huis van uw dienaar gezegend zijn
   voor eeuwig!