Instellingen

4


Maar het geschiedt in die nacht

dat het woord van de Ene geschiedt
tot Natan en zegt:

5


ga heen, zeggen moet je tot mijn dienaar,
   tot David:

zo heeft gezegd de Ene:
zul jíj voor mij een huis bouwen
   waarin ik kan zetelen?-

6


want ik heb niet in een huis gezeteld

vanaf de dag dat ik de zonen van Israël
deed opklimmen uit Egypte
tot op deze dag;
ik ben heen en weer blijven gaan
in een tent, in een tabernakel;

7


overal waar ik heen ging
   met alle zonen Israël,-

heb ik toen ooit een woord gesproken
met één van Israëls stamrechters
die ik gebood
om mijn gemeente, Israël, te weiden,
   en gezegd:

waarom hebt ge voor mij niet gebouwd
   een huis van cederhout?!-

8


en nu moet je zó zeggen

tot mijn dienaar, tot David:
zó heeft gezegd de Ene, de Omschaarde:
ik heb jou meegenomen van de weide,
van achter de schapen,-
om leidsman te worden
over mijn gemeente, over Israël;

9


ik ben met je geweest

overal waar je ging
en heb al je vijanden weggemaaid
   van je aanschijn;

maken zal ik voor jou een naam zo groot
als de naam van de groten der aarde;

10


vaststellen zal ik voor mijn gemeente,
   voor Israël,
   een plaats;
   planten zal ik hem
   en wonen zal hij op zijn plek

en niet meer opgeschrikt worden;
kinderen der verkeerdheid
   zullen hem niet meer verdrukken

zoals in het eerst,-

11


en sinds de dag

dat ik over mijn gemeente Israël
   richters heb geboden;

rust zal ik je verschaffen van al je vijanden;
gemeld heeft voor jou de Ene
dat hij een huis voor jou zal maken, de Ene!-

12


want zijn je dagen vervuld

en zul je zijn gaan liggen bij je vaderen,
doen opstaan zal ik dan je nazaat na jou
die uit je ingewanden is uitgetogen;
zijn koningschap zal ik bevestigen;

13


hij zal voor mijn naam een huis bouwen,-

en vastzetten zal ik
   de troon van zijn koningschap
   tot in eeuwigheid;

14


íkzelf zal hem tot vader zijn

en hij zal mij tot zoon wezen:
als hij misdoet
zal ik hem straffen met een stok van mannen
en met plagen van zonen van Adam;

15


mijn vriendschap zal niet van hem wijken,-

zoals ik die wel heb doen wijken van Saul
die ik heb verwijderd van voor je aanschijn;

16


je huis en je koningschap
   zal aan je aanschijn worden toevertrouwd;

je troon
zal wezen: vaststaand tot in eeuwigheid!