| 21:8 | Want de koning weet zich veilig bij de Ene,- ✡ in de vriendschap van de Allerhoogste wankelt hij niet.
| |
| 21:9 | Te vinden weet uw hand uw vijanden alle, ✡ uw rechterhand vindt al wie u haten!
| |
| 21:10 | Gij zet ze neer in een oven vol vuur; op de tijd van uw verschijning zal de Ene in zijn woede hen verslinden, ✡ een vuur zal hen verteren.
| |
| 21:11 | Hun vrucht doet ge van de aarde teniet, ✡ weg uit de zonen van Adam hun zaad!
| |
| 21:12 | Want zij strekten over u kwaad uit, ✡ beraamden een plan, maar vermogen niets.
| |
| 21:13 | Want gij zet hen neer als een doelwit, ✡ zult uw touwen richten op hun aanschijn.
| |
| 21:14 | Verhef u, o Ene, in uw kracht!- ✡ laat ons zingen, bemusiceren uw heldhaftig bestaan!
| |
| 22:1 | Psalm 22 (21) • Deus, Deus meus. (Voor de koorleider, op ‘De hinde in het morgenrood’; een musiceerstuk v. David.)
| |
| 22:2 | Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten, ✡ ver van mijn redding, van de woorden die ik brul?
| |
| 22:3 | ‘O mijn God!’- roep ik bij dag, gij antwoordt niet,- ✡ de nacht door, maar tot stilte kom ik niet!
| |
| 22:4 | Gij, Heilige, zijt het ✡ die zetelt daar waar Israel u looft,
| |
| 22:5 | bij u wisten onze vaderen zich veilig, ✡ zochten veiligheid en gij deedt hen ontkomen;
| |
| 22:6 | tot u schreeuwden zij en vonden ontkoming, ✡ zochten veiligheid bij u, werden niet beschaamd.
| |
| 22:7 | En ik,- een worm, niets mans meer, ✡ de smaad van de mensen, geminacht bij de manschap;
| |
| 22:8 | al wie mij zien drijven met mij de spot, ✡ trekken met de lip, schudden het hoofd.
| |
| 22:9 | ‘Die wentelde het op de Ene, laat die zorgen voor uitkomst, ✡ hem ontrukken,- hij heeft toch in hem behagen!’
| |
| 22:10 | Ja, u trok mij uit de schoot, ✡ legde mij veilig aan de borsten van mijn moeder.
| |
| 22:11 | Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af, ✡ sinds mijn moeders schoot zijt gij mijn God!
| |
| 22:12 | Blijf dan niet ver van mij nu benauwing te na komt, ✡ nu er niemand is die helpt!
| |
| 22:13 | Omringd ben ik door troepen varren, ✡ Basans buffels sluiten mij in;
| |
| 22:14 | ze sperden tegen mij open hun muil, ✡ een leeuw verscheurend en brullend!
| |
| 22:15 | Ik ben uitgegoten als water, uit elkaar liggen al mijn beenderen, mijn hart lijkt geworden tot was, ✡ in mijn binnenste gesmolten!
| |
| 22:16 | Als een potscherf is verdroogd mijn kracht, mijn tong aan mijn gehemelte gekleefd, ✡ in het stof des doods legt gij mij neer!
| |
| 22:17 | Want omringd ben ik door honden, kwaadwilligen hebben met z’n allen mij omsingeld, ✡ doorstoken mijn handen en mijn voeten.
| |
| 22:18 | Al mijn beenderen kan ik tellen; ✡ zij, zij kijken toe en zien het met mij aan.
| |
| 22:19 | Onder elkaar verdelen zij mijn gewaden,- ✡ over mijn kleding werpen zij het lot!
| |
| 22:20 | Gij, Ene, blijf toch niet ver!,- ✡ o mijn sterkte, haast u mij ter hulpe!
| |
| 22:21 | Ontruk mijn ziel aan het zwaard, ✡ aan de hand van de hond het enige dat ik heb!
| |
| 22:22 | Red mij uit de muil van de leeuw, ✡ van de horens van de bizons!- geef mij antwoord!
| |
| 22:23 | Vertellen zal ik uw naam aan mijn broeders, ✡ in de vergaderde schare zal ik u loven:
| |