| 11:19 | de vroomvogel, de kraanvogel in haar soorten; de brokkelspecht en de vouwvleermuis.
| |
| 11:20 | Alle gevleugelde gewemel dat zich voortbeweegt op een viertal: een gruwel is dat voor u! ••
| |
| 11:21 | Alleen deze soort moogt ge eten van alle gewriemel onder de vogels dat zich voortbeweegt op een viertal: die boven zijn voeten een paar poten heeft om daarmee over de aarde te springen!
| |
| 11:22 | Déze uit hen moogt ge eten: de veelvraat-sprinkhaan in zijn soorten en de korfhaan in zijn soorten; het sprinkpaard in zijn soorten en de knaagbek in zijn soorten.
| |
| 11:23 | Alle gewriemel onder de vogels dat alleen vier vóeten heeft: een gruwel is dat voor u!
| |
| 11:24 | En aan déze maakt ge u besmet,- ieder die hun lijk aanraakt wordt besmet, tot de avond
| |
| 11:25 | en ieder die iets meedraagt van hun lijk moet zijn gewaden wassen en is besmet tot de avond:
| |
| 11:26 | aan alle gedierte dat wat de hoef betreft hoefdragend is maar de inscheuring niet inscheurt of het herkauwsel niet omhoogbrengt,- besmet zijn zij voor u; al wie ze aanraakt wordt besmet!
| |
| 11:27 | En alles wat zich voortbeweegt op z’n zoolholtes onder al wat leeft dat zich voortbeweegt op een víertal, besmet zijn die voor u; al wie hun lijk aanraakt is besmet tot de avond.
| |
| 11:28 | En wie hun lijk opraapt moet zijn gewaden wassen en zal besmet zijn tot de avond; besmet zijn zij voor u! ••
| |
| 11:29 | Dit is voor u wat besmet is bij het gewemel dat wriemelt over de áárde: de mol, de rat en de pad in hun soorten;
| |
| 11:30 | de egel, de salamander en de hagedis; de kameleon en de veldmuis.
| |
| 11:31 | Deze zijn het die besmettend zijn voor u onder alle gewriemel; al wie ze aanraakt als ze dood zijn is besmet tot de avond.
| |
| 11:32 | Alles waarop iets van hen valt als ze dood zijn wordt besmet, elk voorwerp van hout of een gewaad, of een vel of een zak,- elk voorwerp waarmee bij u werk gedaan wordt: in het water moet het komen en besmet zal het zijn tot de avond, daarna zal het rein zijn.
| |
| 11:33 | En elk voorwerp van gres waarin iets van hen naar binnen valt: al wat daarin is wordt besmet, en het voorwerp zelf zult ge stukbreken.
| |
| 11:34 | Wát ook van alle etenswaar die wordt gegeten en waarover water komt, wordt besmet; en elke drinkbare drank in zo’n voorwerp, wélk ook, wordt besmet.
| |
| 11:35 | En alles waarop iets van hun lijk valt wordt besmet: een oven of fornuis moet afgebroken worden, besmet zijn zij; en besmet zullen ze wezen voor u.
| |
| 11:36 | Alleen een wel of een put, een samenstroming van water, zal rein wezen; maar wie hun lijk daarin aanraakt wordt besmet.
| |
| 11:37 | En stel er valt iets van hun lijk op welk zaad dan ook van een zaaisel dat wordt uitgezaaid: rein is dat!
| |
| 11:38 | Maar stel er wordt over zaad water gegeven en er is dan iets van hun lijk daarop gevallen: besmet is dat voor u! ••
| |
| 11:39 | En stel er gaat iets dood van het vee dat gewoonlijk voor u als eten dient: wie het lijk daarvan aanraakt is besmet tot de avond.
| |
| 11:40 | Wie eet van een lijk daarvan moet zijn gewaden wassen en zal besmet zijn tot de avond; en wie een lijk daarvan optilt moet zijn gewaden wassen en zal besmet zijn tot de avond.
| |
| 11:41 | En alle gewemel dat over de aarde wriemelt: een gruwel is dat, het zal niet worden gegeten.
| |
| 11:42 | Al wat zich voortbeweegt op de buik en al wat zich voortbeweegt op een viertal tot elk veelvoud van voeten bij alle gewemel dat over de aarde wriemelt: ge zult ze niet eten, want een gruwel zijn zij!
| |
| 11:43 | Maakt geen gruwel van uw zielen met al dat gewemel dat rondwriemelt; en laat u niet zo door hen besmetten dat ge met hen besmet zoudt blijven!
| |
| 11:44 | Want ik, de Ene, ben God-over-u; heiligt u en weest heiligen, want heilig ben ik; besmet uw zielen dus niet met al dat gewemel dat rondkruipt over de aarde!
| |
| 11:45 | Want ik de Ene ben het die u heeft doen opklimmen uit het land van Egypte om voor u ten God te wezen; weest dan heiligen, want heilig ben ik!
| |
| 11:46 | Dit is het onderricht voor het gedierte en het gevogelte en alle levende ziel die rondkruipt in het water; en voor alle ziel die wriemelt over de aarde,-
| |
| 11:47 | om scheiding te maken tussen wat besmet en wat rein is; tussen het leven dat wordt gegeten en het leven dat niet zal worden gegeten! •
| |
| 12:1 | Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:
| |