| 13:24 | Of het menselijke vlees,- stel, er komt in zijn huid een brandwond van vuur; en geworden is wat nog leeft in de brandwond een lichtplek, wit-roodachtig of wit.
| |
| 13:25 | Heeft de priester die bezien en blijkt er op de lichtplek haar in wit veranderd en ziet het eruit als dieper dan de huid: Egyptische ziekte is dat, uitgebroken in de brandwond; besmet zal de priester hem verklaren, een aandoening van Egyptische ziekte is het.
| |
| 13:26 | Als de priester het beziet en er blijkt géén wit haar in de lichtplek te staan en dieper liggend dan de huid is het niet en het is verdoft: opsluiten zal de priester hem zeven dagen lang.
| |
| 13:27 | Bezien zal de priester het op de zevende dag; als het uítbreidt en uítbreidt in de huid, zal de priester hem besmet verklaren, een aandoening van Egyptische ziekte is het.
| |
| 13:28 | Maar als de lichtplek op haar plek blijft staan, zich niet in de huid heeft uitgebreid, en is verdoft, dan is het de zwelling van de brandwond: de priester mag hem rein verklaren, want het is het litteken van de brandwond. •
| |
| 13:29 | Een man, of een vrouw,- stel er komt over hem een aandoening,- op zijn hoofd of in zijn baard.
| |
| 13:30 | Heeft de priester de aandoening bezien en blijkt hij eruit te zien als dieperliggend dan de huid, en groeit daarop dun geel haar: besmet zal de priester hem verklaren, schurft is het; Egyptische ziekte aan het hoofd of in de baard is dat.
| |
| 13:31 | Maar stel, de priester beziet de aantasting met de schurft en het blijkt er niet naar uit te zien dat het dieper gaat dan de huid, maar zwárt haar groeit er ook niet op: opsluiten zal de priester de met schurft aangetaste zeven dagen lang.
| |
| 13:32 | Heeft op de zevende dag de priester de aantasting bezien en blijkt dat de schurft zich niet heeft uitgebreid en er geen geel haar op gekomen is, en zit zo te zien de schurft niet dieper dan de huid,
| |
| 13:33 | dan zal hij zich scheren, maar de schurft mag hij niet scheren; opsluiten zal de priester de schurftlijder een twééde zevental dagen.
| |
| 13:34 | Heeft op de zevende dag de priester de schurft bezien en blijkt dat de schurft zich niet heeft uitgebreid op de huid, en ziet het eruit als niet dieper dan de huid: rein zal de priester hem verklaren,- hij zal zijn gewaden wassen en hij zal rein zijn.
| |
| 13:35 | Als de schurft zich uítbreidt en uítbreidt over de huid, ná zijn reinverklaring,-
| |
| 13:36 | heeft de priester hem bezien en blijkt de schurft zich uitgebreid te hebben op de huid, dan hoeft de priester hem al niet meer te onderzoeken op geel haar: hij is besmet.
| |
| 13:37 | Maar als bij ogenschouw de schurft tot staan is gekomen en zwart haar daarop is opgeschoten,- genezen is de schurft dan, rein is hij; de priester zal hem rein verklaren. ••
| |
| 13:38 | Een man of een vrouw,- stel het komt ineens voor op de huid van hun vlees: lichtplekken,- witte lichtplekken;
| |
| 13:39 | heeft de priester die bezien en blijken er op de huid van hun vlees dof-witte lichtplekken te zitten: gewone vlekkerigheid is dat, uitgebroken op de huid, rein is men dan. ••
| |
| 13:40 | Een man,- stel zijn hoofdhaar valt uit: gewoon kaal wordt hij, rein is hij dus.
| |
| 13:41 | Als aan de rand van zijn gezicht zijn hoofdhaar uitvalt: iemand met een hoog voorhoofd wordt hij, rein is hij.
| |
| 13:42 | Maar stel er komt op de kale kruin of op het hoge voorhoofd een wit-roze aandoening: uitbrekende Egyptische ziekte is dat, op zijn kale kruin of op zijn hoge voorhoofd.
| |
| 13:43 | Heeft de priester hem bezien en blijkt de zwelling van de aandoening wit-roze te zijn op zijn kale kruin of op zijn hoge voorhoofd, met het aanzien van Egyptische ziekte in de huid van menselijk vlees,-
| |
| 13:44 | een man die aan Egyptische ziekte lijdt is hij, besmet is hij; besmet, ja besmet zal de priester hem verklaren, met zijn aandoening op zijn hoofd.
| |
| 13:45 | De Egyptisch-zieke die met de aandoening behept is,- zijn gewaden zullen worden verscheurd, zijn hoofdhaar zal worden ontteugeld en tot over zijn snor omhult hij zich; ‘besmet, besmet!’ moet hij roepen.
| |
| 13:46 | Al de dagen dat de plaag over hem is, blijft hij besmet, besmet is hij; alléén moet hij blijven, búiten de legerplaats is zijn verblijf. ••
| |
| 13:47 | Het gewevene, stel daarin komt een aandoening van Egyptische ziekte; in een weefsel van wol of in een weefsel van linnen,
| |
| 13:48 | of in knoopwerk of in haakwerk van linnen en van wol; of in een gelooide huid of in enige verwerking van lederhuid:
| |
| 13:49 | is de aandoening groenachtig of roodbruin geworden in het weefsel, in de gelooide huid, in het knoopwerk, in het haakwerk of in enig ding van lederhuid, een aandoening van Egyptische ziekte is dat: laten zien moet men die bij de priester.
| |
| 13:50 | Heeft de priester de aandoening bezien: opsluiten zal hij het aangetaste zeven dagen lang.
| |
| 13:51 | Heeft hij op de zevende dag aan de aandoening gezien dat de aandoening zich heeft uitgebreid in het weefsel, het knoopwerk, het haakwerk of de lederhuid, van alles waarin bij de verwerking lederhuid is gedaan: kwaadaardige Egyptische ziekte is die aandoening, besmettelijk is het aangetaste!
| |
| 13:52 | Verbranden zal hij het weefsel, het knoopwerk, of het haakwerk van wol of van linnen of enig voorwerp van lederhuid waarin de aandoening zich voordoet, want kwaadaardige Egyptische ziekte is het, in het vuur moet het worden verbrand.
| |
| 13:53 | Maar als de priester het beziet en de aandoening niet uitgebreid blijkt te zijn in het weefsel, in het knoopwerk, in het haakwerk of in enig ding van lederhuid,-
| |