| 30:27 | Laban zegt tot hem: moge ik toch genade gevonden hebben in je ogen,- ik heb bespeurd dat de Ene mij zegent ter wille van jou!
| |
| 31:26 | Laban zegt tot Jakob: wat heb je gedaan?- je besteelt mijn hart!- je drijft mijn dochters op als buit van een zwaard;
| |
| 31:27 | waarom ben je stiekem gevlucht en heb je mij bestolen?- je hebt het mij niet gemeld,- ik zou je met vreugde en gezangen heenzenden, met trom en harp!-
| |
| 32:26 | Als hij ziet dat hij geen overmacht op hem heeft raakt hij hem in de holte van zijn heup; zo wordt de holte van Jakobs heup ontwricht in zijn worsteling met hem.
| |
| 32:27 | Hij zegt: laat me los, want het morgenrood is opgeklommen; hij zegt: ik laat je niet los tenzij je me zegent!
| |
| 34:26 | Chamor en Sjechem, zijn zoon, hebben ze vermoord met de mond van het zwaard; ze nemen Dina mee uit het huis van Sjechem en trekken weg!
| |
| 34:27 | De zonen van Jakob kwamen over de doorboorden heen binnen en plunderden de stad,- omdat zij hun zuster hadden besmeurd.
| |
| 35:26 | de zonen van Zilpa, Lea’s slavin: Gad en Aser; dat zijn de zonen van Jakob die hem zijn gebaard in Padan Aram.
| |
| 35:27 | Jakob komt aan bij zijn vader Isaak te Mamree, bij Kirjat Arba,- dat is Hebron, waar Abraham zwerver-te-gast is geweest en Isaak ook.
| |
| 36:26 | Dit zijn de zonen van Disjan: Chemdan en Esjban, Jitran en Keran.
| |
| 36:27 | Dit zijn de zonen van Eetser: Bilhan, Zaävan en Akan.
| |
| 37:26 | Dan zegt Juda tot zijn broeders: wat baat het wanneer we onze broeder vermoorden?, en houden we zijn bloed wel verborgen?-
| |
| 37:27 | ga mee, we verkopen hem aan de Ismaëlieten,- laat onze hand niet tegen hem zijn, want onze broeder -ons vlees en bloed- is hij! Ze horen naar hem, zijn broeders.
| |
| 38:26 | Hij herkent ze, Juda, en zegt: een rechtvaardige is zij en ik niet, omdat ik haar niet heb gegeven aan mijn zoon Sjela! Hij heeft niet toegevoegd,- en haar niet nogmaals bekend.
| |
| 38:27 | En het geschiedt ten tijde dat zij baren zal: ziedaar, tweelingen in haar schoot!
| |
| 41:26 | de zeven goede vaarzen,- zeven jaren zijn dat, en de zeven goede aren,- ook zeven jaren zijn dat; een en dezelfde droom is het;
| |
| 41:27 | en de zeven vaarzen schraal en kwalijk die opklimmen achter hen: zeven járen zijn dat, en de zeven schrale aren, verschroeid door de oostenwind, zullen worden: zeven jaren van honger;
| |
| 42:26 | Ze tillen hun koopkoren op hun ezels; en gaan daarvandaan weg.
| |
| 42:27 | Dan opent de eerste zijn zak om voer te geven aan zijn ezel, in het nachtverblijf; en ziet zijn zilvergeld,- daar ligt het, in de mond van zijn ransel!
| |
| 43:26 | Dan komt Jozef bij het huis aan en zij komen tot hem met de broodgift die in hun hand is naar het huis; ze buigen voor hem ter aarde.
| |
| 43:27 | Hij vraagt hun naar de vrede en zegt: is het vrede voor jullie vader, die oud is zoals jullie hebben gezegd?- is hij nog in leven?
| |
| 44:26 | en wij zeiden: het is ons onmogelijk af te dalen; als onze jongste broeder bij ons is dalen we af, want het is ons onmogelijk het aanschijn van die man te zien zonder onze jongste broeder bij ons!-
| |
| 44:27 | toen zei uw dienaar, mijn vader, tot ons: júllie wisten dat mijn vrouw er mij twee heeft gebaard;
| |
| 45:26 | Ze melden hem en zeggen: Jozef lééft nog!- ja, hij is heerser over heel het land van Egypte! Zijn hart verkilt, want hij heeft hen niet kunnen geloven.
| |
| 45:27 | Maar zij spreken tot hem alle woorden van Jozef die hij tot hen heeft gesproken, en hij ziet de wagens die Jozef heeft gezonden om hem daarop te tillen. Dan leeft de adem van Jakob, hun vader, op.
| |
| 46:26 | Het hele zielental dat met Jakob naar Egypte is gekomen, die zijn voortgekomen uit zijn heup, zonder de vrouwen van Jakobs zonen: alle ziel is zesenzestig.
| |
| 46:27 | De zonen van Jozef die hem in Egypte zijn gebaard: tweemaal een ziel; het hele zielental van het huis van Jakob dat naar Egypte kwam is: zeventig. •
| |
| 47:26 | Zo stelt Jozef het in als vaste regel tot op deze dag, over de –rode– grond van Egypte: het vijfde deel voor Farao; alleen de –rode– grond van de priesters is voor hén alleen: nooit is die van Farao geworden!
| |
| 47:27 | Israël zetelt in het land van Egypte, in het land van Gosjen; ze krijgen daar vaste voet en worden zeer vruchtbaar en overvloedig!
| |
| 49:26 | zegeningen van je vader: ze zullen moed geven boven zegeningen van bergen,- het kostelijkste van heuvels van eeuwig; ze zullen zijn op het hoofd van Jozef, op de kruin van de omkranste onder zijn broeders! •
| |