Instellingen

31


Zij nemen de mantel van Jozef;

ze slachten een geitenbok
en dopen de mantel in het bloed.

32


Ze zenden

de veelkleurige mantel
en komen daarmee bij hun vader,
en zeggen: dit hebben we gevonden;
tracht toch te herkennen of
dit de mantel van uw zoon is of niet?

33


Hij herkent haar en zegt:
   de mantel van mijn zoon!,

een kwaadaardig dier heeft hem verslonden,
verscheurd is Jozef, helemaal verscheurd!

34


En Jakob scheurt zijn kleren

en legt een zak om zijn lendenen;
hij rouwt over zijn zoon véle dagen.

35


Al zijn zonen en al zijn dochters staan op
   om hem te troosten,

maar hij weigert zich te laten troosten,
en zegt:
nee, neerdalen zal ik tot mijn zoon in rouw,
   naar het schimmenrijk!

Zo beweent hem zijn vader.

36


De Midjanieten

hebben hem verkocht naar Egypte,
aan Potifar, een hoveling van Farao,
de vorst van de zwaarddragers.