Instellingen

31

kijk, niet voor eeuwig verstoot hij,
   mijn Heer;

32

kijk, als hij iemand bedroefd heeft
zal hij zich weer ontfermen,
   zo groot is zijn vriendschap;

33

kijk, niet van harte verdrukt hij
en bedroeft hij de zonen van een man;
••

34

laaghartig vertrapt iemand onder zijn voeten
alle gevangenen van een land,

35

leugenachtig
   wordt het recht van een vent gekromd
tegenover het aanschijn van de Allerhoogste,

36

laf wordt een mens in zijn geding
   in het ongelijk gesteld:
mijn Heer zou dat niet zien?-
••

37

mag iemand iets zeggen en geschiedt dat dan,
als mijn Heer het niet heeft geboden?-
   komt niet uit de

38

mond van de Allerhoogste voort
het kwade en het goede?- wat klaagt dan een

39

mens die nog leeft,
een kerel over de straf op zijn zonden?-
••

40

nee, laten we onze eigen wegen naspeuren
   en doorgronden,
laten we terugkeren naar de Ene; laten we

41

naar de godheid in de hemelen
ons hart en onze handen opheffen;

42

nu wij hebben misdreven en gerebelleerd
hebt gij niet vergeven; hebt ge
••

43

ons achtervolgd en u gehuld in woede,
zonder mededogen gemoord;

44

ondoordringbaar voor een gebed
is de wolk waarin gij u gehuld hebt;

45

ons hebt ge gemaakt
   tot uitvaagsel om weg te werpen,
   in de kring van de gemeenschappen;
••

46

reeds hebben boven ons
   hun mond opengesperd
   al onze vijanden;

47

reeds is schrik en strik ons deel geworden,
ondergang en openbreking;

48

rivieren water dalen neer uit mijn oog
over het gebroken bestaan van de dochter
   van mijn gemeenschap;

••

49

pas bedaart het,
houdt mijn oog op leeg te lopen,-

50

pas als uit de hemel zal speuren en zien
de Ene;

51

pijn doet mijn oog aan mijn ziel
om al die dochters van mijn stad;
   mijn vijanden

••

52

stortten zich als jagende vogels op mij,
zonder aanleiding,

53

smoorden mijn leven in een put
en wierpen stenen op mij; er

54

stroomden wateren over mijn hoofd,
   ik zei al: ik ben van alles afgesneden!-
••

55

toen riep ik uw naam aan, Ene,
vanuit het onderste van de put;

56

toen hoorde gij mijn stem:
   verberg niet uw oor
voor mijn ademtocht, voor mijn hulpgeroep!-

57

ten dage dat ik u aanriep zijt gij genaderd,
hebt gij gezegd: vrees niet!-
••

58

voeren zult gij, mijn Heer,
   de gedingen van mijn ziel,
   verlos mijn leven; mijn

59

verdrukking hebt gij gezien, Ene,
verschaf mij in mijn rechtszaak recht!-

60

van hun wraaklust hebt gij alles gezien,
al wat ze tegen mij hebben beraamd;
••