Hun gehuchten waren Etam en Ajin, Rimon, Tochen en Asjan,- vijf steden
33
en al hun gehuchten rondom deze steden tot aan Baäl; dit waren hun zetels en daar hielden ze geslachtsregisters bij voor zich.
34
Mesjovav en Jamleech, Josja de zoon van Amatsja,
35
Joël en Jehoe de zoon van Josjivja zoon van Seraja zoon van Asiël,
36
Eljoënai en Jaäkova, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël en Benaja,
37
Ziza, zoon van Sjifi zoon van Alon zoon van Jedaja zoon van Sjimri zoon van Sjemaja,
38
dezen, met hun namen vooraangekomen, verhevenen in hun families,- en in het huis van hun vaders, zijn uitgebroken in menigte
39
en gingen op weg tot waar men aankomt in Gedor, tot aan de dageraadskant van het dal,- om een weide te zoeken voor hun wolvee.
40
Ze vonden een weide, vet en goed, en het land lag wijd voorhanden, stil en gerust; want uit Cham stamden zij die daar voorheen zaten.
41
Maar toen kwamen deze met name beschrevenen in de dagen van Jechizkiahoe, koning van Juda, en sloegen hun tenten neer en de woningen die daar te vinden waren, verbrandden hen tot op deze dag en gingen er in hun plaats zitten,- omdat daar een weide voor hun wolvee was.
42
Uit hen, uit de zonen van Simeon, zijn op weg gegaan naar het bergland van Seïr vijfhonderd mannen,- met Pelatja, met Nearja, Refaja en Oeziël, zoon van Jisji, aan het hoofd van hen.
43
Zij verslaan de rest van Amalek die ontkomen is en zetelen daar tot op deze dag.