Instellingen

31


in Bet Markavot en in Chatsar Soesiem,

in Bet Biri en in Sjaärajim;
dit waren hun steden
   totdat David koning werd.

32


Hun gehuchten waren Etam en Ajin,

Rimon, Tochen en Asjan,-
vijf steden

33


en al hun gehuchten

rondom deze steden tot aan Baäl;
dit waren hun zetels
   en daar hielden ze geslachtsregisters bij
   voor zich.

34


Mesjovav en Jamleech,

Josja de zoon van Amatsja,

35


Joël en Jehoe de zoon van Josjivja

zoon van Seraja zoon van Asiël,

36


Eljoënai en Jaäkova,
   Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël
   en Benaja,

37


Ziza, zoon van Sjifi zoon van Alon
   zoon van Jedaja zoon van Sjimri

zoon van Sjemaja,

38


dezen, met hun namen vooraangekomen,

verhevenen in hun families,-
en in het huis van hun vaders,
zijn uitgebroken in menigte

39


en gingen op weg
   tot waar men aankomt in Gedor,

tot aan de dageraadskant van het dal,-
om een weide te zoeken voor hun wolvee.

40


Ze vonden een weide, vet en goed,

en het land lag wijd voorhanden,
stil en gerust;
want uit Cham stamden zij
die daar voorheen zaten.

41


Maar toen kwamen
   deze met name beschrevenen
   in de dagen van Jechizkiahoe,
   koning van Juda,

en sloegen hun tenten neer
   en de woningen die daar te vinden waren,

verbrandden hen tot op deze dag
en gingen er in hun plaats zitten,-
omdat daar een weide voor hun wolvee was.

42


Uit hen, uit de zonen van Simeon,

zijn op weg gegaan
   naar het bergland van Seïr

vijfhonderd mannen,-
met Pelatja,
   met Nearja, Refaja en Oeziël,
   zoon van Jisji,
   aan het hoofd van hen.

43


Zij verslaan

de rest van Amalek die ontkomen is
en zetelen daar
tot op deze dag.