Instellingen

31


zijn van hen ingelijfd voor de stam Zebulon:

zevenenvijftigduizend en vier honderdtallen.

32


Bij de zonen van Jozef,
   bij de zonen van Efraïm,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

33


zijn van hen ingelijfd voor de stam Efraïm:

veertigduizend en vijf honderdtallen.

34


Bij de zonen van Manasse,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

35


zijn van hen ingelijfd voor de stam Manasse:

tweeëndertigduizend en een dubbelhonderd.

36


Bij de zonen van Benjamin,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

37


zijn van hen ingelijfd voor de stam Benjamin:

vijfendertigduizend en vier honderdtallen.

38


Bij de zonen van Dan,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

39


zijn van hen ingelijfd voor de stam Dan:

tweeënzestigduizend en zeven honderdtallen.

40


Bij de zonen van Aser,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

41


zijn van hen ingelijfd voor de stam Aser:

eenenveertigduizend en vijf honderdtallen.

42


De zonen van Naftali,

hun geboorten naar hun families,
   naar huizen-van-één-vader:

bij telling van namen
van twintig jaar oud en daarboven,
al wat als strijdschaar uittrekt,-

43


zijn van hen ingelijfd voor de stam Naftali:

drieënvijftigduizend en vier honderdtallen.

44


Dit zijn de ingelijfden

die Mozes heeft ingelijfd,
   met Aäron en Israëls verhevenen,-

twaalf man;
met één man per huis-van-één-vader
zijn ze geweest.

45


Zo zijn álle ingelijfden van de zonen Israëls
   naar huizen-van-één-vader,

van twintig jaar oud en daarboven,
al wat bij Israël als strijdschaar uittrekt,-

46


zo zijn alle ingelijfden er

zeshonderdmaal duizend
   en drie duizendtallen,

vijf honderdtallen en nog vijftig.

47


De Levieten met de stam van hun vader,

zij zijn niet voor hen ingelijfd.

48


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

49


echt, de stam Levi lijf je níet in

en hun totaal neem je níet op,
bij de zonen Israëls.

50


Jij in eigen persoon

zult de Levieten aanstellen* Nota bene: het werkwoord ‘pqd’ dat hiervoor steeds wordt vertaald met ‘inlijven’.
   over de woning van de overeenkomst
   en over al zijn gerei,-

over al wat bij hem hoort;
zij zullen de woontent steeds opnemen,
   en al zijn gerei;

zíj zullen hem bedienen;
rondom de woning legeren zij zich.

51


Bij het opbreken van de woning

halen zij hem neer, de Levieten,
en bij de legering van de woning
richten zij hem op, de Levieten;
de onbevoegde die te na komt wordt gedood!

52


Legeren zullen de zonen Israëls zich:

per man op zijn eigen legerplaats
   en per man bij zijn eigen vendel,
   in hun strijdscharen.

53


Maar de Levieten

legeren zich rondom de woning
   van de overeenkomst,-

dan zal er geen toorn neerkomen
op de samenkomst van de zonen Israëls;
wachthouden zullen de Levieten
in de bewaking van de woning
   van de overeenkomst!

54


Dat dóen de zonen Israëls;

naar al wat de Ene Mozes heeft geboden,
   zó hebben ze gedaan.