Instellingen

31


En uw kroost,

waarvan ge gezegd hebt
   ‘tot roofgoed wordt dat’:

hén zal ik er doen komen
en kennen zullen zij het land
dat gij hebt veracht!

32


Uw lijken, gijzelf!-

zullen neervallen in deze woestijn!

33


Uw zonen zullen
   herders worden
   in de woestijn, veertig jaar lang,

en uw hoererij moeten dragen,
totdat gij als lijken eindigt
   in de woestijn!

34


Naar het aantal van de dagen
   dat ge het land hebt verkend,

veertigmaal een dag, zult ge,
een jaar voor een dag
en zo weer een jaar voor een dag,
uw ongerechtigheden dragen:
veertig jaar!-
kennen zult gij mijn áfwezigheid!