Instellingen

31


Dan ontbloot de Ene

Bileams ogen
en ziet hij
de engel van de Ene geposteerd staan
   op de weg

met een getrokken zwaard in zijn hand;
hij knielt neer en buigt, op zijn neusgaten.

32


De engel van de Ene zegt tot hem:

om wát wel
heb je je ezelin geslagen
nu al drie keer?-
zie, ík ben uitgetrokken als satan, tegenstrever,
want overijld is deze weg,- tegen mij in!-

33


toen zág de ezelin mij

en week uit voor mijn aanschijn
nu al drie keer;
was zij niet voor mijn aanschijn uitgeweken
ja, dan had ik nu zeker jóu vermoord
   en háár in leven gehouden!

34


Bileam zegt tot de engel van de Ene:
   gezondigd heb ik,

want ik heb niet beseft
dat u daar míj tegemoet geposteerd stond
   op de weg;

welnu, als het kwaad is in uw ogen
   keer ik (naar mij) terug!

35


De engel van de Ene zegt tot Bileam:

ga met de mannen mee,-
evenwel:
het woord dat ik tot je spreek,
   dát zul je spreken!

Dan gaat Bileam
   met de vorsten van Balak mee.

36


Als Balak hoort dat Bileam is aangekomen,

trekt hij uit hem tegemoet
   naar de stad van Moab

op de Arnon-grens,
in de rand van het grensgebied.

37


Balak zegt tot Bileam:

heb ik niet bij zendingen mensen
   tot je gezonden
   om je te roepen?-

waarom ben je niet naar mij toe gegaan?-
geloofde je niet
dat ik je ereloon machtig ben?

38


Bileam zegt tot Balak:

zie, ik ben tot u gekomen;
maar nú:
zal ik met mijn vermogen
   wát-dan-ook vermogen uit te spreken?-

het woord
dat God mij in de mond zal leggen,
   dát zal ik spreken!

39


Zo gaat Bileam met Balak mee;

ze komen aan in Kirjat Choetsot.

40


Balak slacht rundvee en wolvee

en zendt dat aan Bileam
en aan de vorsten bij hem.

41


Het geschiedt in de ochtend:

Balak neemt Bileam mee
en laat hem bestijgen: Bamot Baäl;
hij ziet daarvandaan
   de rand van de gemeente.