| 31 | Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan? Ze zeggen: de laatste… Jezus zegt tot hen:
amen is het, zeg ik u, dat de tollenaars en de hoeren u zullen voorgaan naar het koninkrijk van God!
| |
| 32 | Want Johannes kwam tot u op een weg van gerechtigheid en ge hebt hem niet geloofd; de tollenaars en de hoeren, die hebben hem geloofd!- gíj hebt dat gezien maar hebt later niet zo’n spijt gekregen. dat ge in hem zijt gaan geloven!
| |
| 33 | Hoort een ander zinnebeeld! Er is een mens geweest, een heer-des-huizes. Hij ‘plantte een wijngaard aan, zette een omheining eromheen, groef erin een perskuip uit en bouwde een toren erbij’ (Jes. 5,1-2). Hij gaf hem uit aan landbewerkers en ging op reis.
| |
| 34 | Wanneer het moment van de vruchten nadert, zendt hij zijn dienaren uit naar de landbewerkers om zijn vruchten aan te nemen.
| |
| 35 | De landbewerkers nemen zijn dienaars vast, ontvellen er een, doden er een en stenigen er een!
| |
| 36 | Weer zendt hij dienaars uit, andere, meer dan de eersten,- en met hen doen ze evenzo.
| |
| 37 | Als laatste zendt hij tot hen zijn zoon, zeggend: voor mijn zóón zullen ze inkeren!
| |
| 38 | Maar als de landbewerkers de zoon zien zeggen ze onder elkaar: dit is de erfgenaam!- vooruit, laten we hem doden, dan hebben wij zijn erfdeel!
| |
| 39 | Ze nemen hem vast, werpen hem de wijngaard uit en doden hem.
| |
| 40 | Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wát zal hij met die landbewerkers doen?
| |
| 41 | Ze zeggen tot hem: kwaadaardig zijn ze, kwaardaardig zal hij hen ombrengen, en de wijngaard zal hij uitgeven aan ándere landbewerkers die hem de vruchten zullen afgeven op de momenten daarvoor!
| |
| 42 | Jezus zegt tot hen: hebt ge nooit in de Schriften herkend* Of: gelezen. ‘een steen die de huisbouwers afkeurden, die is geworden tot hoofd van een hoek; vanwege de Heer is zij geworden, wonderbaar is zij in onze ogen!’ (Ps. 118,22-23)?
| |
| 43 | Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal van u worden weggehaald en worden gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.
| |
| 44 | En wie over die steen valt zal verpletterd zijn, en op wie hij valt, hem zal hij vermorzelen!
| |
| 45 | Als de heiligdomsoversten en de Farizeeërs zijn zinnebeelden horen herkennen ze dat hij over hen spreekt;
| |
| 46 | hoewel ze ernaar zoeken hem te overmeesteren, zijn ze bevreesd voor de scharen,- daar die hem voor een profeet hebben gehouden.
| |