| 31 | een koningin uit het zuiden zal in het oordeel worden opgewekt met de mannen van deze generatie en hen veroordelen,- omdat zij is gekomen van de randen der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier;
| |
| 32 | Ninevitische mannen zullen in het oordeel opstaan met deze generatie en haar veroordelen,- omdat zij zich hebben bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier!-
| |
| 33 | niemand pakt een olielamp op om die in een keldergat te zetten en ook niet onder de korenmaat, nee, op de lampvoet, opdat zij die binnentreden het schijnsel kunnen bekijken;
| |
| 34 | de lamp van het lichaam is je oog; wanneer je oog eenvoudig is, is ook heel je lichaam vol van licht, maar wanneer het boos is, is ook je lichaam duister;
| |
| 35 | zie dus toe dat het licht dat in je is geen duisternis is;
| |
| 36 | als dus heel je lichaam vol van licht is en in geen enkel deel duister, zal het in z’n geheel vol van licht zijn, zoals wanneer de lamp met zijn lichtstraal je verlicht!
| |
| 37 | Maar terwijl hij (zo) spreekt vraagt een Farizeeër hem of hij bij hem de maaltijd wil houden. Maar hij komt binnen en valt op een hoge plaats neer.
| |
| 38 | Maar de Farizeeër ziet dat en is verwonderd dat hij niet eerst, vóór de maaltijd, zich wast.* Letterlijk: zich doopt, of: zich laat dompelen.
| |
| 39 | Maar de Heer zegt tot hem: en nu júllie, Farizeeërs!- de buitenkant van drinkbeker en schotel reinigt ge, maar uw binnenkant loopt over van graaierij en boosaardigheid;
| |
| 40 | stukken onverstand, hij die de buitenkant maakte, heeft hij niet ook de binnenkant gemaakt?-
| |
| 41 | evenwel, geeft wat erin zit weg als ontferming, en zie, alles is rein voor u!-
| |
| 42 | echter, wee u, de Farizeeërs!, omdat ge tienden afstaat van de kruizemunt, de wijnruit en álle kruid, en voorbijgaat aan het oordeel en de liefde van God!- men moest het ene doen en het andere niet nalaten!-
| |
| 43 | wee u, de Farizeeërs, omdat ge de vooraanzitting in de samenkomsten liefhebt, en ook de begroetingen op de markten;
| |
| 44 | wee u, omdat ge zijt als de graven die onzichtbaar zijn: de mensen die daarboven wandelen weten het niet!
| |
| 45 | Maar ten antwoord zegt zomaar één van de wetgeleerden tot hem: leermeester, als je dat zegt beledig je ook óns!
| |
| 46 | Maar hij zegt: ook voor u, de wetgeleerden: wee!, omdat ge de mensen belast met ondragelijke lasten en zelf die lasten met geen van uw vingers aanraakt!-
| |
| 47 | wee u, omdat ge de grafmonumenten van de profeten bouwt terwijl uw vaderen hen hebben gedood!-
| |
| 48 | dus zijt gij getuigen en hebt ge mede welbehagen in de werken van uw vaderen, omdat zíj hen wel hebben gedood maar gíj daarop bouwt!-
| |
| 49 | daarom zegt ook de wijsheid van God: zenden zal ik tot hen profeten en afgezanten, en uit hen zullen ze er doden en vervolgen,-
| |
| 50 | zodat bij déze generatie zal worden teruggezocht het bloed van alle profeten dat vanaf de grondlegging der wereld is vergoten,
| |
| 51 | van het bloed van Abel tot aan het bloed van Zacharias die is omgebracht tussen de offerplaats en het Huis; ja, ik zeg u: het zal worden teruggezocht bij deze generatie!-
| |
| 52 | wee u, de wetgeleerden, omdat ge de sleutel der (Gods)kennis weghaalt; zelf komt ge niet binnen, en wie binnen willen komen verhindert ge het!
| |
| 53 | Als hij daarvandaan naar buiten komt, beginnen de schriftgeleerden en de Farizeeërs hem verschrikkelijk te beschuldigen en hem over vele dingen de mond open te breken,
| |
| 54 | in hinderlagen, om hem te verstrikken in iets uit zijn mond.
| |