| 31 | Simon, Simon, zie, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als de tarwe;
| |
| 32 | maar ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zal bezwijken; en als jij ooit omkeert, versterk dan je broeders-en-zusters!
| |
| 33 | Maar hij zegt tot hem: heer, met jóu ben ik bereid ook wachthok en dood in te gaan!
| |
| 34 | Maar hij zegt: ik zeg je, Petrus, er zal vandaag geen haan kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je van mij weet!
| |
| 35 | Dan zegt hij tot hen: toen ik u uitzond zonder inwerpkist, reiszak en sandalen, zijt ge toen iets tekortgekomen? En zij zeggen: niets!
| |
| 36 | Maar hij zegt tot hen: nee, nu moet wie er een heeft een inwerpkist ophalen, evenzo een reiszak, en wie er geen heeft moet zijn kleed verkopen en een zwaard aanschaffen;
| |
| 37 | want ik zeg u dat dit wat geschreven staat in mij in vervulling moet gaan: ‘hij werd bij wettelozen gerekend’ (Jes. 53,12); want dat over mij heeft een voleinding!
| |
| 38 | Maar zij zeggen: heer, zie, twee zwaarden hier! Maar hij zegt tot hen: dat is voldoende!
| |
| 39 | Als hij naar buiten komt gaat hij, zoals hij gewoon is, naar de Olijfberg; hem volgen ook de leerlingen.
| |
| 40 | Maar bij het oord aanlandend zegt hij tot hen: bidt om niet in beproeving te komen!
| |
| 41 | Zelf zondert hij zich van hen af, ongeveer een steenworp; de knieën gebogen heeft hij gebeden,
| |
| 42 | zeggend: Vader, als ge wilt, draag deze drinkbeker van mij weg; alleen: niet míjn wil nee, de uwe moet geschieden!
| |
| 43 | Maar dan laat zich aan hem een engel uit de hemel zien die hem sterkt.
| |
| 44 | In doodsangst gerakend heeft hij des te dringender gebeden; het geschiedt: zijn zweet wordt als klodders bloed die neerdalen op de aarde;
| |
| 45 | als hij opstaat van zijn gebed, en bij de leerlingen komt, vindt hij hen ingeslapen, van droefheid.
| |
| 46 | Hij zegt tot hen: wat sluimert ge!- staat op en bidt dat ge niet in beproeving komt!
| |
| 47 | Terwijl hij nog spreekt, ziedaar, een schare; hij die Judas wordt genoemd, één van de twaalf, is voor hen uit gegaan; hij nadert Jezus om hem te kussen.
| |
| 48 | Maar Jezus zegt tot hem: Judas, geef je de mensenzoon prijs met een kus?
| |
| 49 | Maar als zij die hem omringen zien wat het wordt, zeggen zij: heer, als wij eens slaan met een zwaard?
| |
| 50 | En zomaar één van hen slaat op de dienaar van de heiligdomsoverste in en hakt hem het rechteroor af.
| |
| 51 | Maar ten antwoord zegt Jezus: laat het hierbij! Hij pakt de oorschelp en heelt hem.
| |
| 52 | Maar dan zegt Jezus tot de heiligdomsoversten, de bevelhebbers van het heiligdom en de oudsten die bij hem belanden: als tegen een rover gaat ge er op uit met zwaarden en stokken!-
| |
| 53 | toen ik dagelijks bij u was in het heiligdom hebt ge de handen niet naar me uitgestoken; maar dit is uw uur en de volmacht van de duisternis!
| |
| 54 | Maar ze nemen hem vast, leiden hem weg en leiden hem binnen in het huis van de heiligdomsoverste. Petrus is van verre gevolgd.
| |
| 55 | Maar ze leggen een vuur aan in het midden van de hof en gaan bij elkaar zitten. Petrus is midden tussen hen gaan zitten.
| |
| 56 | Maar zomaar een slavinnetje ziet hem bij het schijnsel zitten, staart hem aan en zegt: híj was ook bij hem!
| |
| 57 | Maar hij loochent het en zegt: ik weet niks van hem, vrouw!
| |
| 58 | Kort daarna ziet een ander hem en brengt uit: jíj bent ook één van hen! Maar Petrus verklaart: mens, dat ben ik niet!
| |
| 59 | Op afstand van ongeveer één uur heeft zomaar iemand anders verzekerd en gezegd: in waarheid, ook híj was bij hem, want hij is ook een Galileeër!
| |
| 60 | Maar Petrus zegt: mens, ik weet niet wat je zegt! En plotseling, terwijl hij nog spreekt, kraait er een haan.
| |