| 31 | Maar hun ogen worden geopend en zij herkennen hem; en het geschiedt: hij wordt onzichtbaar voor hen.
| |
| 32 | Zij zeggen tot elkaar: was ons hart niet brandend in ons, toen hij op de weg met ons sprak, toen hij voor ons de Schriften opende?
| |
| 33 | In datzelfde uur staan ze op en keren terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en die bij hen zijn verzameld vinden;
| |
| 34 | die zeggen: de Heer is werkelijk opgewekt en heeft zich laten zien aan Simon!
| |
| 35 | En zij zetten alles uiteen van op de weg, en hoe hij zich aan hen heeft laten kennen in het breken van het brood.
| |
| 36 | Maar terwijl zij over deze dingen spreken, komt hijzelf in hun midden staan.
| |
| 37 | Maar geschrokken en zeer bevreesd geworden hebben ze gedacht een geest te aanschouwen.
| |
| 38 | Hij zegt tot hen: waarom zijt ge zo verward, en waardoor klimmen overwegingen op in uw hart?-
| |
| 39 | ziet aan mijn handen en mijn voeten dat ík het zelf ben; betast me en ziet, omdat een geest geen vlees en beenderen heeft, en zoals ge aanschouwt heb ik die wel!
| |
| 40 | Terwijl hij dat zegt toont hij hun de handen en de voeten.
| |
| 41 | Maar als zij vanwege de vreugde het nog niet geloven en verwonderd zijn, zegt hij tot hen: hebt ge hier iets te eten?
| |
| 42 | Maar zij geven hem een moot gebakken vis.
| |
| 43 | Hij neemt die aan en eet hem voor hun aanschijn op.
| |
| 44 | Maar dan zegt hij tot hen: dit zijn mijn uitspraken die ik tot u zei toen ik nog met u samen was: ‘alles wat over mij geschreven staat in de Wet van Mozes en in de profeten en de psalmen, moet worden vervuld!’
| |
| 45 | Dán opent hij hun verstand om de Schriften te begrijpen.
| |
| 46 | En hij zegt tot hen: zó staat geschreven, dat de Gezalfde moet lijden en ten derden dage opstaan uit de doden,
| |
| 47 | en in zijn naam moet omkeer gepredikt worden tot vergeving van zonden, aan alle volkeren; beginnend bij Jeruzalem
| |
| 48 | zijt gíj hiervan getuigen;
| |
| 49 | en zie, ík zend over u uit wat mijn Vader heeft aangekondigd; maar gij, zet u neer in de stad totdat ge met kracht van omhoog wordt bekleed!
| |
| 50 | Maar hij leidt hen naar buiten tot bij Betanië; hij heft zijn handen op en zegent hen.
| |
| 51 | En het geschiedt: terwijl hij hen zegent neemt hij afstand van hen,- hij is omhooggedragen naar de hemel.
| |
| 52 | En zij brengen hem hulde en keren terug naar Jeruzalem, in grote vreugde.
| |
| 53 | Ze zijn aldoor in het heiligdom geweest, God gezegend.
| |