| 31 | nú is er een oordeel over deze wereld; nú zal de overste van deze wereld naar buiten worden uitgeworpen!-
| |
| 32 | en als ik van de aarde zal worden omhooggeheven (Joh. 3,14), zal ik allen tot mij trekken!
| |
| 33 | Maar dit heeft hij gezegd om in tekentaal aan te duiden met wat voor dood hij zou gaan sterven.
| |
| 34 | Dan antwoordt de schare hem: wíj horen uit de Wet dat de Gezalfde ‘blijft tot in de eeuwigheid’ (Ps. 89,37); hoe kunt ú dan zeggen dat de mensenzoon moet worden ‘omhooggeheven’: wie is deze mensenzoon?
| |
| 35 | Dan zegt Jezus tot hen: nog een kleine tijdsspanne is het licht bij u; wandelt zolang ge het licht hebt, opdat duisternis u niet in bezit neemt; wie wandelt in het duister weet niet waar hij heen gaat;
| |
| 36 | zolang ge het licht hebt: gelooft in het licht opdat ge zonen-en-dochters van het licht wordt! Als Jezus dat heeft uitgesproken gaat hij weg en verbergt hij zich voor hen.
| |
| 37 | Maar hoewel hij zovele tekenen heeft gedaan voor hun aanschijn zijn ze niet in hem gaan geloven.
| |
| 38 | Zo gaat in vervulling het woord van de profeet Jesaja waar hij zegt ‘Heer, wie hecht geloof aan wat hij van ons hoort?- de arm des Heren,- aan wie wordt hij onthuld?’ (Jes. 53,1).
| |
| 39 | En daarom waren ze niet bij machte geweest om te geloven, omdat alweer Jesaja zegt:
| |
| 40 | ‘verblind heeft hij hun ogen en verhard heeft hij hun hart, zodat ze met de ogen niet zien en met het hart niet verstaan en omkeren, en ik ze zou helen (Jes. 6,10).
| |
| 41 | Deze dingen zegt Jesaja omdat hij zijn glorie heeft gezien,- hij spreekt over hém.
| |
| 42 | Tegelijk gaan toch ook velen van de oversten in hem geloven, echter, vanwege de Farizeeërs hebben ze het niet beleden, om geen samenkomstlozen te worden;
| |
| 43 | want ze beminnen de glorie bij mensen meer dan de glorie van God.
| |
| 44 | Maar Jezus heeft het uitgeschreeuwd en gezegd: wie gelooft in mij, gelooft niet in mij,- nee, in hem die mij gestuurd heeft;
| |
| 45 | en wie mij aanschouwt aanschouwt hem die mij gestuurd heeft;
| |
| 46 | ik, als licht ben ik tot de wereld gekomen opdat ieder die in mij gelooft niet in de duisternis blijft;
| |
| 47 | ook als iemand mijn uitspraken hoort en niet bewaart veroordeel ík hem niet; want ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen nee, om de wereld te redden;
| |
| 48 | wie mij afwijst en mijn uitspraken niet aanneemt heeft er al één die oordeelt: het woord dat ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten laatsten dage,
| |
| 49 | omdat ík niet vanuit mijzelf heb gesproken, nee, die mij gestuurd heeft, de Vader zelf, heeft mij een gebod gegeven wat ik moet zeggen en wat ik moet spreken,
| |
| 50 | en ik weet dat zijn gebod eeuwig leven is; dus van wat ík uitspreek geldt: zoals de Vader mij gezegd heeft, zó spreek ik uit!
| |