| 31 | Maar uit de schare gaan velen geloven in hem, zij hebben gezegd: wanneer de Gezalfde komt, zal die méér tekenen doen dan híj doet?
| |
| 32 | De Farizeeërs horen dat de schare dit over hem murmelt, en ze zenden, de heiligdomsoversten en de Farizeeërs samen, gerechtsdienaars uit om hem te grijpen.
| |
| 33 | Dan zegt Jezus: nog een korte tijd ben ik bij u, ik ga heen tot hem die mij heeft gestuurd;
| |
| 34 | ge zult me zoeken en niet vinden (Spr. 1,28), waar ík ben zult gij niet bij machte zijn te komen!
| |
| 35 | Dan zeggen de Judeeërs tot elkaar: waarheen is hij wel van plan te vertrekken?- omdat wij ‘hem niet zullen vinden’!- hij is toch niet van plan te vertrekken naar de Hellenen in de verstrooiing en de Hellenen te onderrichten?-
| |
| 36 | wat ís dit voor een uitspraak, dat hij gezegd heeft ‘ge zult me zoeken en niet vinden’, en ‘waar ík ben zult gíj niet bij machte zijn te komen’?
| |
| 37 | Maar op de laatste en grote dag van het feest is Jezus er gaan staan, en wat hij te zeggen heeft schreeuwt hij uit: als iemand dorst heeft,- hij kome tot mij en drinke!-
| |
| 38 | wie in mij gelooft,- zoals de Schrift zegt: rivieren van levend water zullen stromen uit zijn schoot!
| |
| 39 | Maar dat zegt hij over de Geest die zij die in hem geloofden zouden gaan aannemen; want er is nog geen Geest geweest, omdat Jezus nog niet is verheerlijkt (Spr. 1,23).
| |
| 40 | Uit de schare hebben er toen op het horen van deze woorden gezegd: deze is waarlijk de profeet!
| |
| 41 | Anderen hebben gezegd: deze is de Gezalfde! Maar, hebben er gezegd: de Gezalfde komt toch niet uit Galilea?-
| |
| 42 | zegt de Schrift niet dat uit het zaad van David en uit Betlehem, het dorp waar David (eerst) was, de Gezalfde komt?
| |
| 43 | Er geschiedt dan een scheuring in de schare, vanwege hem;
| |
| 44 | maar* Johannes gebruikt vaak het woord ‘maar’ zonder dat een tegenstelling lijkt bedoeld. Soms wordt daarmee iets opmerkelijks of onverwachts aangekondigd, soms slechts een tussenzin.: enkelen van hen hebben hem willen grijpen, echter niemand legt de handen op hem.
| |
| 45 | Dan komen de gerechtsdienaars aan bij de heiligdomsoversten en Farizeeërs, en díe zeggen tot hen: waarom hebt ge hem niet meegebracht?
| |
| 46 | De gerechtsdienaars antwoorden: nooit eerder heeft een mens zo gesproken als deze mens spreekt!
| |
| 47 | Dan antwoorden de Farizeeërs hun: zijn niet ook jullie in dwaling geraakt?-
| |
| 48 | niet één van de oversten gelooft toch in hem?- of van de Farizeeërs!-
| |
| 49 | nee, deze schare die de Wet niet kent,- vervloekten zijn het!
| |
| 50 | Nikodemus, hij die al eerder tot hem is gekomen en een van hen is, zegt tot hen:
| |
| 51 | onze Wet veroordeelt de mens toch niet als ze niet eerst van hemzelf hoort en kennis krijgt van wat hij doet?
| |
| 52 | Ze antwoorden en zeggen tot hem: ben jij soms ook uit Galilea?- speur het na en zie dat vanuit Galilea geen profeet ontwaakt!
| |
| 53 | Ze vertrekken, elk naar zijn huis.
| |