| 42 | Jezus zegt tot hen: als God uw Vader was zoudt ge mij liefhebben, want ík ben van God uitgegaan en (naar hier) gekomen (Sirach 24,3); want ik ben niet vanuit mijzelf gegaan nee, hij heeft mij uitgezonden; (Sirach 24,8)
| |
| 43 | waarom herkent ge mijn spreken niet?- omdat ge niet bij machte zijt mijn woord te horen;
| |
| 44 | ú, uit de vader die de uiteenwerper is bent u, en doen wat uw vader begeert, dát is wat u wilt!- hij is vanaf begin een mensenmoordenaar geweest (Wijsheid 2,24) en staat niet in de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is; wanneer hij de leugen uitspreekt spreekt hij uit het eigene,- omdat hij een leugenaar is en zijn vader ook* Of: en de vader ervan.;
| |
| 45 | maar omdat ik de waarheid zeg gelooft ge mij niet;
| |
| 46 | wie van u verwijt mij een zonde?- als ik u waarheid zeg: waarom gelooft ú mij niet?-
| |
| 47 | wie uit God is geeft gehoor aan de woorden van God; daarom geeft ú er geen gehoor aan omdat ge niet uit God zijt!
| |
| 48 | De Judeeërs antwoorden en zeggen tot hem: zeggen wíj niet juist dat u een Samaritaan bent, u, en een demonie hebt?
| |
| 49 | Jezus antwoordt: ík heb geen demonie nee, ik eer mijn Vader en ú ontrooft mij mijn eer;
| |
| 50 | maar, niet dat ík mijn heerlijkheid zoek; er is iemand die zoekt en oordeelt;
| |
| 51 |
amen, amen, ik zeg u: als iemand mijn woord bewaart zal hij geen dood aanschouwen tot in de eeuwigheid! | |
| 52 | De Judeeërs zeggen tot hem: nu is het voor ons onmiskenbaar dat u een demonie hebt; Abraham is gestorven, en de profeten ook, en ú zegt ‘als iemand mijn woord bewaart zal hij geen dood proeven tot in de eeuwigheid’!-
| |
| 53 | ú bent toch niet meer dan onze vader Abraham?- die gestorven is; ook de profeten zijn gestorven, wie maakt u van uzelf?
| |
| 54 | Jezus antwoordt: als ík mijzelf verheerlijk is mijn heerlijkheid helemaal niets; het is mijn Vader die mij verheerlijkt, van wie u zegt ‘hij is onze God’;
| |
| 55 | en ge hebt hem niet leren kennen, maar, ík weet wie hij is!- en als ik zeg dat ik van hem niet weet zal ik gelijk zijn aan u: een leugenaar; nee, ik weet wie hij is en zijn woord bewaar ik;
| |
| 56 | uw vader Abraham juichte toen hij mijn dag zou zien en hij heeft die gezien en was verheugd!
| |
| 57 | Dan zeggen de Judeeërs tot hem: u bent nog geen vijftig jaar en hebt Abraham gezien?
| |
| 58 | Jezus zegt tot hen:
amen, amen, ik zeg u: van éér Abraham geboren werd ben ík!
| |
| 59 | Dan rapen ze stenen op om op hem te werpen, maar Jezus verbergt zich en komt weg uit het heiligdom.
| |