Instellingen

31


en in de woestijn waar je gezien hebt

hoe de Ene, je God, je heeft gedragen
zoals een man zijn zoon draagt,-
op heel de weg die ge zijt gegaan
tot uw aankomst bij dit oord!

32


Maar ondanks dit woord

zijt ge zonder vertrouwen gebleven
in de Ene, uw God,

33


die onderweg voor uw aanschijn uitgaat

om u een oord te zoeken
   waar ge kunt legeren;

in de vuurgloed ’s nachts
om u zicht te geven op de weg
   waarover ge gaat

en in de Wolk overdag.

34


Toen hoorde de Ene de stem
   van uw woorden;

hij vergramde en zwoer en zei:

35


áls een man bij deze mannen

van dit boos geslacht
het goede land ooit ziet
dat ik heb gezworen
te geven aan hun vaderen!…

36


behalve

Kaleb de zoon van Jefoenee: híj zal het zien
en aan hém geef ik het land
   waarover hij zijn weg ging
   en aan zijn zonen,

en wel omdat
hij volledig is blijven staan achter de Ene!

37


Ook op mij is de Ene vertoornd geweest,

vanwege u, en hij zei:
ook jíj zult daar niet komen!-

38


Jozua, de zoon van Noen,
   die voor je aanschijn staat,

híj zal daar komen;
hém, sterk hem,
want hij zal het onder Israël verdelen.

39


En uw kroost, waarvan ge gezegd hebt:
   tot buit wordt het!,

uw zonen, die heden nog geen weet hebben
   van goed en kwaad,

zíj zullen daar komen,-
aan hén zal ik het geven,
   zíj zullen het beërven!-

40


maar gíj, wendt u

en breekt op, de woestijn in,
   de weg op naar de Rietzee!

41


Ten antwoord hebt ge tot mij gezegd:

wij hebben gezondigd
tegen de Ene,
maar wij, opklimmen zullen we
   en oorlog voeren

naar al wat de Ene, onze God,
   ons heeft geboden!

En gij hebt u
per man zijn oorlogstuig aangegord
en gedacht lichtvoetig
   het bergland in te klimmen.

42


Maar toen zei de Ene tot mij:

zeg tot hen: ge zult niet opklimmen en niet
   oorlogvoeren,

want ik ben niet in uw midden,-
indien ge niet wilt worden neergestoten
voor het aanschijn van uw vijanden!

43


Zó sprak ik tot u,
   en ge hebt nietgehoord;

ge hebt de mond van de Ene weerstreefd,
en kokend van overmoed
   zijt ge het gebergte ingeklommen.

44


Toen trok de Amoriet,
   die in dat bergland zetelde,
   u tegemoet,

en ze joegen u achterna
zoals bijen doen;
ze sloegen u uiteen in Seïr,-
   tot aan Chorma.

45


Weeklagend zijt ge teruggekeerd
   naar het aanschijn van de Ene,-

maar de Ene heeft niet gehoord naar uw stem
en u niet het oor geleend.

46


Vele dagen hebt ge in Kadeesj gezeten,-

die dagen dat ge er hebt moeten zitten.