| 31 | Omdat hun rots niet is als onze Rots,- onze vijanden kunnen erover oordelen!
| |
| 32 | Omdat hun wijnstok een wijnstok van Sodom is, van de hellingen van Gomorra komt; giftige besjes zijn hun druiven, trossen bitterheid krijgen ze;
| |
| 33 | gloed van draken is hun wijn,- gif van adders, meedogenloos!
| |
| 34 | Ligt het niet opgeborgen bij mij,- verzegeld in mijn voorraden?
| |
| 35 | Aan míj de wraak en de vergelding, ten tijde dat hun voet wankelt; ja, nabij is de dag van hun ongeluk, wat voor hen klaarstaat haast zich!
| |
| 36 | Want de Ene doet recht aan zijn gemeente, van zijn dienaars trekt hij het zich aan; wanneer hij ziet dat het met ‘de hand’* Of: hun macht. is gedaan en afgelopen: ingesloten en in de steek gelaten,
| |
| 37 | zal hij zeggen: waar zijn nu hun goden?- de rots bij wie ze schuilden,-
| |
| 38 | die het vet van hun offers opaten en de wijn van hun plenggave dronken; laten die opstaan en u helpen, laat híj uw bescherming nu wezen!
| |
| 39 | Ziet in, nu het de tijd is, dat ík het ben, ik en géén godheden naast mij!- ík maak dood en doe leven; heb ik gewond, ik wil genezen, geen die ontrukt aan mijn hand!
| |
| 40 | Ja, ik zal mijn hand opheffen naar de hemel en zeggen: ik leef in eeuwigheid!-
| |
| 41 | als ik de bliksem getand heb, mijn zwaard, zal mijn hand in het gericht daarnaar grijpen,- breng ik op mijn beurt wraak over mijn benauwers en over mijn haters vergelding.
| |
| 42 | Ik maak mijn pijlen dronken van bloed, -mijn zwaard vréét dan vlees- van het bloed van de doorboorde en de gevangene, uit het harige hoofd van de vijand!
| |
| 43 | Bejubelt, volkeren, zijn gemeente, want het bloed van zijn dienaars wreekt hij: met wraak keert hij terug bij wie hem benauwden, verzoening brengt hij over zijn –rode– grond, zijn gemeente! •
| |
| 44 | Mozes komt en verwoordt alle woorden van deze zang in de oren van de gemeente,- hij met Hosea, zoon van Noen.
| |
| 45 | Als Mozes het heeft voleindigd voor heel Israël al deze woorden te verwoorden,
| |
| 46 | zegt hij tot hen: houdt uw hart bij al de woorden die ik heden bij u heb betuigd,- dat ge uw zonen zult gebieden om te bewaken, om te doen, alle woorden van dit onderricht;
| |
| 47 | want het is geen leeg woord, dit, voor u, nee dit is uw léven!- met dit woord zult ge uw dagen verlengen op de –rode– grond, waarheen ge de Jordaan oversteekt om haar te beërven. •
| |
| 48 | Dan spreekt de Ene tot Mozes op deze huidige dag en zegt:
| |
| 49 | klim op naar het gebergte van de overstekers hier, de berg Nebo die in het land van Moab ligt voor het aanschijn van Jericho,- en zie het land van Kanaän aan dat ik de zonen Israëls ten eigendom geef;
| |
| 50 | sterf op de berg waarheen jij opklimt, en word dan verzameld bij je manschappen; zoals op Hor Hahar gestorven is je broer Aäron en is verzameld bij zijn manschappen;
| |
| 51 | omdat ge trouweloos geweest zijt tegen mij onder de zonen Israëls, bij de wateren der rebellie van Kadeesj,-
heilighuis, in de woestijn van Tsien; omdat ge daar mij niet heilig hebt gehouden onder de zonen Israëls;
| |
| 52 | zodoende zul je het land zien van tegenover; daar kómen zul je niet, in het land dat ik geef aan de zonen Israëls! •
| |