Instellingen

31


Want een godheid van ontferming
   is de Ene, je God;

hij zal je niet loslaten
   en je niet in het verderf storten;

hij vergeet niet het verbond met je vaderen
dat hij aan hen heeft gezworen.

32


Want vraag toch naar eerdere dagen
   die geweest zijn vóór jouw aanschijn,

vanaf de dag dat God op het aardland
   een –rode– mens schiep

en van het ene eind van de hemelen
   tot aan het andere eind van de hemelen:

is er ooit iets geschied
als dit grootse woord,
of te horen geweest als dit?-

33


heeft ooit een gemeenschap
   de stem van God
   horen spreken vanuit het vuur
   zoals jíj hebt gehoord, en bleef hij in leven?

34


Of heeft ooit een god beproefd

ertoe te komen zich een volk te nemen
uit de schoot van een ander volk
door beproevingen, tekenen,
   wonderen en oorlog,

met sterke hand en uitgestrekte arm
en grote vreeswekkende daden,-
zoals al wat de Ene, uw God,
   voor u heeft gedaan in Egypte
   voor uw eigen ogen?

35


Jíj kreeg het te zien, om te weten:

ja, de Ene, dé God is hij,-
géén is er verder buiten hem.

36


Vanuit de hemelen heeft hij zijn stem
   doen horen
   om je terecht te wijzen,-

op het aardland
heeft hij je zijn grote vuur doen zien
en zijn woorden heb je gehoord
   vanuit het vuur.

37


Om het feit

dat hij je vaderen beminde
kiest hij voor hun zaad ná hen,-
en leidt hij je met zijn aanschijn,
   met zijn grote kracht,
   weg uit Egypte,-

38


om volken groter en sterker dan jij

te onterven van jouw aanschijn,-
om je er te doen aankomen,
om je hun land ten erfdeel te geven
   zoals op deze dag.

39


Beseffen zul je op deze dag,

en doen keren
tot je hart,
dat de Ene, dat hij dé God is
in de hemelen boven
en op de aarde beneden;
verder géén.

40


Bewaken zul je
   zijn inzettingen en zijn geboden

die ik je op deze dag gebied,-
zodat het je goed gaat, jou
en je zonen ná jou;
en opdat je dagen zult verlengen
   op de –rode– grond

welke de Ene, je God, je nu geeft
   voor alle dagen!

41


Dan zondert Mozes drie steden af

op de overzij van de Jordaan,-
daar waar de zon gaat stralen,-

42


opdat daarheen kan vluchten
   een doodslager

die zijn naaste ongewild-en-ongeweten
   doodslaat,

en hem niet gister en eergister al haatte;
vluchten zal hij
naar één van deze steden, en leven:

43


Betser, in de woestijn,
   in het land van de vlakte,
   van de Rubeniet;

Ramot op de Gilead van de Gadiet
en Golan op de Basan van de Manassiet.

44


Dit is het onderricht,

dat Mozes heeft neergelegd
voor het aanschijn van de zonen Israëls.

45


Dit zijn de overeenkomsten,

de inzettingen en de rechtsregels,-
die Mozes heeft gesproken
   tot de zonen Israëls

bij hun uittocht uit Egypte,

46


op de overzij van de Jordaan,
   in het dal

tegenover Bet Peor
in het land
van Sichon, koning van de Amoriet
die in Chesjbon zetelde;
welke Mozes, met de zonen Israëls,
   heeft verslagen

bij hun uittocht uit Egypte.

47


Ze beërfden zíjn land en het land van Og,
   koning van de Basan,

-twee koningen van de Amoriet waren er
op de overzij van de Jordaan,
daar waar de zon gaat stralen-

48


van Aroëer

op de lip van de beek Arnon
   tot de berg Sirjon,
   dat is de Hermon,-

49


heel de steppe op de overzij van de Jordaan

aan zonsopgangszijde
tot aan de Steppezee
onder de hellingen van de Pisga.