Instellingen

31


Israël dient de Ene

alle dagen van Jozua,-
en alle dagen van de oudsten
wier dagen zich tot ná Jozua
   hebben verlengd

en die hebben geweten
van alle doen van de Ene
dat hij aan Israël heeft gedaan.

32


De beenderen van Jozef,
   die de zonen Israëls
   mee hebben laten opklimmen
   uit Egypte,
   hebben ze begraven bij Sjechem,

in het deel van het veld
dat Jakob heeft verworven
   bij de zonen van Chamor,
   de vader van Sjechem,
   voor honderd kesita;

ze worden* Lees: het wordt. tot erfgoed
   van de zonen van Jozef.

33

Als Aärons zoon Elazar is gestorven,-
begraven ze hem
   in de heuvel van zijn zoon Pinchas,

die hem was gegeven
   in het bergland van Efraïm.