Instellingen

61

Hoewel mij strikken van bozen omgaven, ✡
uw onderricht
was ik niet vergeten.

62

Halvernacht
sta ik op om u te danken ✡
voor
de rechtsregels van uw gerechtigheid.

63

Het gezelschap zoek ik
   van al wie u vrezen, ✡
van wie uw verordeningen
bewaken.

64

Heel de aarde, Ene,
   is vervuld van uw vriendschap, ✡
uw inzettingen: wil mij die leren!


Teth. Bonitatem fecisti.

65


’t Is het goede
   dat gij hebt gedaan aan uw dienaar, ✡

o Ene,
naar uw woord.

66

Inzicht, goedheid en kennis,
   wil mij die leren, ✡
want in uw geboden heb ik vertrouwen!

67

Ik dwaalde af totdat ik moest bukken, ✡
en nu
zal ik bewaken wat gij zegt.

68

In-goed zijt gij en goeddoende, ✡
uw inzettingen, wil mij die leren!

69

Ik
blijf met heel mijn hart
uw ordeningen houden, ✡
al besmeurden
ziedende lieden mij met leugens.

70

Ik vond
verkwikking in uw Wet, ✡
al was hun hart gevoelloos als vet.

71


’t Is goed voor mij geweest
   dat ik moest bukken, ✡

het was om
uw inzettingen te leren.

72


’t Is mij goed geweest:
   het onderricht uit uw mond,- ✡

is meer dan duizenden
goud en zilver!


Ioth. Manus tuæ.

73

Jouw handen hebben mij gemaakt,
   hebben mij bevestigd, ✡
schenk mij inzicht,
ik zal leren jouw geboden!

74

Je vereerders
   zullen mij zien en zich verheugen, ✡
want op jouw woord heb ik gewacht!

75

Je rechtsregels, Ene, wist ik gerechtigheid, ✡
en trouw,
ook toen je mij liet bukken.

76

Jouw vriendschap, laat die er toch zijn
   om mij te troosten, ✡
zoals jij je dienaar hebt gezegd.

77

Ja, komt jouw ontferming over mij,
   dan leef ik op, ✡
want jouw onderricht
is mijn verkwikking.

78

Ja, dat beschaamd staan ziedende lieden
   die mij hebben gewrongen in leugens, ✡
en ik
jouw orders mag overpeinzen!

79

Je vereerders, dat die bij mij terugkeren, ✡
zij die kennen
jouw overeenkomsten.

80

Jouw inzettingen,
   laat mijn hart volmaakt daarbij zijn, ✡
opdat ik
niet zal worden beschaamd!


Caf. Defecit in salutare.

81

Krank werd mijn ziel,
   om uw reddende werk, ✡
op uw woord ben ik blijven wachten.

82

Krank werden mijn ogen
   om uw toezegging, ✡
ik moest zeggen:
‘wanneer schenkt gij mij troost?’

83

Kromp ik ineen als een wijnzak in de rook, ✡
uw inzettingen
heb ik nooit vergeten.

84

Knecht van u ben ik,
   zijn mij nog dagen beschoren?- ✡
wanneer houdt ge
over mijn vervolgers gericht?

85

Kuilen zijn mij gegraven
   door onbesuisden, ✡
die
naar uw onderricht niet leven.

86

Kom mij helpen:
   al uw geboden zijn getrouwheid,- ✡
zij hebben mij achtervolgd met leugen!

87

Kregen ze mij in dit land bijna kapot: ✡
ik,
ik heb uw orders niet verlaten!

88

Krachtens uw vriendschap: doe mij leven, ✡
ik zal bewaken
de overeenkomsten van uw mond!

Lamed. In æternum.

89

Langer dan lang, Ene, voor eeuwig, ✡
staat uw woord
op zijn post in de hemelen.

90


’n Lijn van geslacht na geslacht
   volgt uw trouw, ✡

vast als de aarde
blijft zij staande.