Instellingen

61

wil hun hoon horen, Ene,
alles wat ze tegen mij hebben beraamd;

62

wat de lippen van mijn tegenstanders spellen
over mij, heel de dag door;

63

wanneer zij zitten of opstaan, aanschouw het:
ik ben hun spotlied; gij
••

64

zult hun teruggeven naar hun werk, o Ene,
   naar het doen van hun handen; gij

65

zult hun geven een hart dat spot met hen,
uw vervloeking over hen; gij

66

zult hen achtervolgen met woede
   en hen verdelgen
van onder uw hemelen, Ene!