Instellingen

61


De Heer keert zich om

en kijkt Petrus aan,
en dan herinnert Petrus zich
het woord van de Heer,
hoe hij tot hem zei:
voordat er een haan kraait vandaag
zul je mij driemaal verloochenen!

62


Hij gaat naar buiten,

en buiten weent hij bitter.

63


De mannen die hem vasthielden

hebben hem bespot en ontveld;

64


hem rondom omhullend

hebben ze hem gevraagd, en gezegd:
profeteer eens: wie is het die jou bespot?

65


En met vele andere lasteringen

hebben ze tegen hem gesproken.

66


En het geschiedt:

zodra het dag wordt verzamelt zich
de oudstenraad van de gemeenschap,
ook heiligdomsoversten en schriftgeleerden,
en leiden hem hun raadszitting binnen.

67


Ze zeggen:

als ú de Gezalfde bent, zeg het tot ons;
maar hij zegt tot hen:
als ik het u zeg gelooft u het niet;

68


maar als ik iets vraag

antwoordt u niet!-

69


maar van nu af zal het zijn:

de mensenzoon zittend ter rechterhand
van de kracht van God.

70


Maar dan zeggen ze allen:

dus ú bent de Zoon van God?-
maar hij brengt tegen hen uit:
dat zegt gíj, dat ik het ben!

71


Maar zij zeggen:

waarvoor hebben wij
nog een getuigenis nodig?-
we horen het immers zelf
uit de mond van hemzelf?