| 91 |
Leefregels van u, daarvoor staan zij heden, ✡ want in alles zijn zij u dienstbaar.
| |
| 92 |
Lag niet in uw onderricht mijn verkwikking, ✡ dan was ik verloren in mijn ellende.
| |
| 93 |
Levenslang, ja eeuwig zal ik uw orders niet vergeten, ✡ want door hen hebt gij mij doen leven.
| |
| 94 | ’k Lever mij uit aan u: o, red mij!- ✡ want uw orders heb ik gezocht!
| |
| 95 |
Loerden boosdoeners op mijn teloorgang, ✡ uw overeenkomsten wil ik verstaan.
| |
| 96 |
Ligt, zo zag ik, voor elk geheel er een einde, ✡ uw gebod is wijdreikend, onbegrensd!
Mem. Quomodo dilexi.
| |
| 97 |
Mij is zo lief geworden uw Wet, ✡ heel de dag is zij mijn overpeinzing.
| |
| 98 |
Meer dan mijn vijanden zijn, maakt uw gebod mij wijs, ✡ want voor eeuwig is het bij mij.
| |
| 99 |
Meer dan al mijn leermeesters verwierf ik inzicht, ✡ want uw overeenkomsten waren mij tot overpeinzing.
| |
| 100 |
Meer dan grijsaards kwam ik tot verstaan, ✡ omdat ik uw orders heb gehouden.
| |
| 101 |
Mijn voeten weerde ik van elk pad van kwaad, ✡ om uw woorden te bewaken.
| |
| 102 |
Mijn weg is van uw regels niet geweken, ✡ want gij hebt ze mij gewezen.
| |
| 103 |
Mijn gehemelte waren uw toezeggingen zoeter ✡ dan honing was voor mijn mond!
| |
| 104 |
Mij schonken uw orders verstand, ✡ daarom ben ik ieder leugenpad gaan haten.
Nun. Lucerna pedibus meis.
| |
| 105 |
Naar waar mijn pad voert is uw woord mij een licht, ✡ een lamp voor mijn voeten.
| |
| 106 |
Nu ik het heb gezworen zal ik het gestand doen: ✡ te bewaken uw regels, zo rechtvaardig.
| |
| 107 |
Nu ik ten zeerste ben gebogen, ✡ Ene, doe mij leven, naar uw woord.
| |
| 108 |
Neem toch, Ene, de geloften van mijn mond in welbehagen aan, ✡ wil mij uw regels leren.
| |
| 109 |
Nooit heb ik uw onderricht vergeten, ✡ al lag mijn ziel mij voortdurend los in de hand.
| |
| 110 |
Nooit ben ik weggedoold van wat gij hebt verordend, ✡ al legden boosdoeners mij een strik.
| |
| 111 |
Nu zijn uw overeenkomsten mijn erfdeel voor eeuwig, ✡ ja, zij zijn de blijdschap van mijn hart.
| |
| 112 |
Neigde ik mijn hart om uw inzettingen te doen, ✡ voor eeuwig is er loon.
Samech. Iniquos odio.
| |
| 113 |
Onvaste mensen ben ik gaan haten, ✡ uw onderricht kreeg ik lief.
| |
| 114 |
Op uw woord bleef ik wachten: ✡ mijn verberging, mijn schild waart gij.
| |
| 115 |
O kwaadstichters, gaat van mij heen, ✡ ik wil houden de geboden van mijn God!
| |
| 116 |
Ondersteun mij, naar uw toezegging, en ik zal leven, ✡ beschaam mij in mijn verwachting niet!
| |
| 117 |
Onderstut mij, en ik zal gered zijn,- ✡ worden verkwikt door uw inzettingen voortdurend.
| |
| 118 |
Ontduikers van uw inzettingen veracht gij: ✡ niets dan leugen is hun sluwheid.
| |
| 119 |
Op alle bozen der aarde zult ge neerkijken als uitschot; ✡ eens te meer kreeg ik uw overeenkomsten lief.
| |
| 120 |
Om schrik voor u sidderde mijn vlees, ✡ voor uw regels kreeg ik ontzag!
Ain. Feci iudicium.
| |