Instellingen

121

Plichtsgetrouw deed ik
   gerechtigheid en recht,- ✡
leger mij niet
bij mijn onderdrukkers!

122

Posteer u voor uw dienaar ten goede, ✡
dat onbekookten mij niet onderdrukken.

123

Popelend zagen mijn ogen
   uit naar uw reddende werk, ✡
naar uw gerechtigheid zoals voorzegd.

124

Passend en recht naar uw vriendschap,
   doe zo met uw dienaar, ✡
uw inzettingen, wil mij die leren.

125

Pleiten wil ik:
   ik dien u, schenk gij mij inzicht, ✡
dat ik uw overeenkomsten
leer kennen.

126

Precies nu is het tijd, Ene, voor een daad: ✡
gebroken hebben ze
uw Wet!

127

Paarlen echter zijn mij uw geboden, ✡
ik heb ze liever
dan goud en het edelste metaal.

128

Paden van leugen,
   ik ben ze alle gaan haten, ✡
daarom houd ik al uw orders
alle voor recht!


Fe. Mirabilia.

129

Ronduit wonderbaar
   zijn uw overeenkomsten, ✡
daarom
is mijn ziel ze gaan houden.

130

Rondom uw geopende woorden
   schijnt licht, ✡
eenvoudigen schenkt dat inzicht.

131


’n Roofvogel gelijk,
   mijn mond opengesperd hijg ik het uit, ✡

want mijn verlangen is naar uw geboden.

132

Richt u tot mij, wees mij genadig, ✡
zoals het recht is
voor minnaars van uw naam.

133

Richt mijn schreden naar wat gij toezegt, ✡
laat alle onheil niet over mij heersen.

134

Red mij, koop mij vrij van ’s mensen
   verdrukking, ✡
dat ik uw orders
kan bewaken.

135

Raak met het licht van uw aanschijn
   uw dienaar aan, ✡
uw inzettingen,
wil mij die leren.

136

Rivieren water daalden neer uit mijn ogen, ✡
omdat zij
uw onderricht niet hebben bewaakt!


Sade. Iustus es.

137

Strikt rechtvaardig zijt gij, o Ene, ✡
rechtuit
zijn uw regels.

138

Streng naar gerechtigheid
   hebt gij geboden ✡
uw overeenkomsten, en trouw.

139


’n Schim maakte van mij mijn ijver, ✡

daar mijn benauwers uw woorden vergaten.

140

Smeltzuiver is wat gij toezegt, ✡
het is dat wat uw dienaar zo mint.

141

Schoon ik gering ben en geminacht, ✡
heb ik uw orders
niet vergeten.

142

Slechts uw rechtvaardiging
   is gerechtigheid voor eeuwig, ✡
getrouw is uw Wet!

143

Schaadden mij
   benauwing en verdrukking: ✡
mijn verkwikkingen waren
uw geboden.

144

Stand houdt uw gerechtigheid,
   uw overeenkomsten, voor eeuwig: ✡
doe ze mij verstaan, dat ik mag leven!


Coph. Clamavi.

145

Tot u riep ik met heel mijn hart:
   ‘Ene, geef mij antwoord!- ✡
uw inzettingen zal ik houden!’

146

Tot u heb ik geroepen: ‘red mij!- ✡
ik zal uw overeenkomsten
bewaken!’

147

Terwijl het nog nacht was
   schreeuwde ik om hulp, ✡
op uw woorden bleef ik wachten.

148

Tussen de waken wachtten mijn ogen ✡
om uw toezeggingen
te overpeinzen.

149

Toon uw vriendschap: hoor mijn stem!- ✡
Ene,
gij die recht doet: doe mij leven!

150

Te na zijn gekomen
   die jagen op schande, ✡
van uw onderricht zich verre hebben gezet.