| 8:1 | Maar hoofdzaak bij al wat gezegd wordt is, dat wij zo’n hogepriester hebben die gezeten is ter rechterhand van de troon der majesteit in de hemelen,
|
| 8:2 | een bedienaar van de heiligdommen en de waarachtige tent die de Heer heeft opgeslagen, niet een mens.
|
| 8:3 | Want iedere hogepriester wordt aangesteld om gaven en offerdieren te offeren; vandaar de noodzaak voor hem om iets te hebben dat hij kan offeren.
|
| 8:4 | Als hij het dan op aarde was, zou hij niet eens priester zijn, omdat er al zijn die een Wet volgend gaven offeren.
|
| 8:5 | Zij vereren een aanduiding en schaduw van de hemelse dingen, zoals Mozes ingefluisterd kreeg toen hij op het punt stond de tent te voltooien; want hij verklaart: ‘zie toe dat je alles maakt naar het voorbeeld dat jou is getoond op de berg!’ (Ex. 25,40).
|
| 8:6 | Maar nu heeft hij een evenzo voortreffelijker bediening gekregen als hij ook middelaar is van een beter verbond, dat op betere aankondigingen gevestigd en gewettigd is.
|
| 8:7 | Want als dat eerste onberispelijk was geweest, was er geen plaats gezocht voor een tweede.
|
| 8:8 | Want hij berispt hen als hij zegt: ‘zie er komen dagen, zegt de Heer, dat ik over het huis Israël en het huis Juda een nieuw verbond zal vervolmaken,
|
| 8:9 | niet als het verbond dat ik sloot met hun vaderen op de dag dat ik hen bij hun hand nam om hen uit te leiden uit Egypte,- omdat zij in mijn verbond niet bleven en ík mij niet meer om hen bekommerde, zegt de Heer;
|
| 8:10 | omdat dit het verbond is waarmee ik mij aan het huis Israël na die dagen zal verbinden, zegt de Heer: ik zal mijn wetten een plaats geven in hun denken en ze schrijven op hun harten; ik zal hun tot God zijn en zij zullen mij tot gemeente zijn;
|
| 8:11 | en zij zullen niet meer ieder zijn stadgenoot onderrichten en ieder zijn broeder-en-zuster, zeggend: je moet de Heer kennen!, omdat allen van mij zullen weten, van klein tot groot bij hen;
|
| 8:12 | omdat ik verzoenend zal zijn voor hun ongerechtigheden en hun zonden geenszins meer zal gedenken!’ (Jer. 31,31-34)
|
| 8:13 | Door te spreken van ‘een nieuw’ heeft hij het eerste oud gemaakt; en wat oud wordt en veroudert is de verdwijning nabij.
|
| Lees hoofdstuk 7 | Lees hoofdstuk 9 |