Instellingen

4


aanheffen zul je deze spreuk
   tegen de koning van Babel, en zeggen:

hoe is een drijver opgehouden,
opgehouden een verdrukking!

5


Gebroken heeft de Ene
   de staf van boosdoeners,-

de stok van heersers!,

6


hij die in verbolgenheid
   gemeenschappen sloeg

met een slaan dat van geen wijken wist,-
die in toorn tegen volkeren optrad
en achtervolgde zonder mededogen.

7


Tot rust gekomen,
   stil geworden is alles op aarde,-

ze zijn uitgebroken in jubel.

8


Zelfs de cipressen verheugen zich in jou,

de ceders van Libanon:
‘sedert jij bent gaan liggen
klimt niemand meer op
   om ons neer te hakken!’

9


Het schimmenrijk beneden

heeft al gesidderd voor jou
   toen het je komst tegemoet zag,-

het maakte voor jou de schimmen wakker,
   alle bokkenpoten op aarde,

het heeft van hun tronen doen opstaan
alle koningen der volken.

10


Allen zullen zij antwoorden

en tot jou zeggen:
ook jij bent zo zwak geworden als wij,
   op ons ben je gaan lijken;

11


nedergedaald in het schimmenrijk is je trots,
   het geklank van je luiten;

onder jou worden wormen gespreid,
karmozijnslakken zijn je dekens!

12


Hoe ben jij uit de hemel gevallen,
   Morgenster, zoon van de dageraad;

neergehouwen ter aarde ben jij,
bedwinger der volken,

13


jij die

met heel je hart gezegd hebt
   ‘naar de hemel wil ik opklimmen,

nog boven de sterren van God
   verhef ik mijn troon;

zitten wil ik op de berg van samenkomst
   in de diepste dalen van het noorden;

14


ik wil klimmen op de wolkenhoogten,-

mij gelijk maken aan de Allerhoogste!’

15


Echter, ter helle moest je nederdalen
   in de diepste dalen van de put.

16


Die tegen je opzagen kijken nog eens goed,

proberen van jou te begrijpen:
is dit de man die de aarde liet sidderen,
koninkrijken deed wankelen?-

17


die de wereld tot woestijn maakte
   en zijn steden afbrak;

zijn gevangenen
   nooit een opening gaf naar huis?

18


Alle koningen der volkeren, zij allen,-

zijn in ere gaan liggen,
   ieder in zijn eigen behuizing;

19


en jij,

jij bent weggeworpen, weg van je graf
   als een verafschuwde scheut,

omgeven door omgebrachte mensen
die doorstoken zijn door een zwaard,-
die moesten neerdalen
   naar de stenen van de put
   als een platgetrapt kadaver.

20


Jij wordt niet met hen verenigd in een graf,

omdat jij je land hebt verdorven,
   je gemeenschap hebt omgebracht;

voor eeuwig worde niet meer genoemd
   het zaad van zulke kwaadstichters!