Instellingen

26


Bóven

het gewelf boven hun hoofd
is iets zichtbaar als van saffiersteen:
   de gedaante van een troon;

en óp de gedaante van de troon
een gedaante
met het aanzien van een mens daarop,
   daar bovenop.

27


Dan zie ik iets dat oogt als staal,

eruitziet als vuur met een huls daaromheen;
te zien van zijn lendenen naar boven,-
en te zien van zijn lendenen naar beneden
zag ik wat eruitzag als vuur
met glans daaromheen.

28


Zoals het aanzien van de boog

die in de wolk opkomt
   op de dag van de stortregen,

zo is het aanzien van de glans eromheen;
het is
het aanzien van de gedaante van de glorie
   van de Ene;

ik zie dit alles en val neer op mijn aanschijn;
dan hoor ik de stem van een die spreekt.
••