Instellingen

1


Dan geschiedt het spreken van de Ene

aan mij en zegt:

2


mensenzoon,

zeg tot de leidsman van Tsor:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
omdat je hart hoogmoedig is
   en jij zei ‘ik ben een god,

in het hart der zeeën bezet ik een godenzetel’,-
terwijl jij een mens bent en geen god,
al geef je je hart uit voor een godenhart;

3


zie, wijzer dan Daniël ben jij,

geen geheim is voor jou verborgen;

4


in je wijsheid en verstand

heb je voor jezelf
   voor een vermogen gezorgd;

je hebt gezorgd voor goud en zilver
   in je voorraden;

5


met je grote wijsheid heb je met je handel
   je vermogen vermenigvuldigd,-

maar je hart werd hoogmoedig
   door dat vermogen van jou;

••

6


daarom

heeft mijn Heer, de Ene, zó gezegd:
omdat jij je hart uitgeeft
   voor een godenhart,

7


zie, daarom

laat ik vreemdelingen over je komen,
de tiranniekste der volkeren,-
die hun zwaarden zullen trekken
   tegen je schone wijsheid,

je schone schijnsel zullen doorboren

8


en je laten dalen in de kuil;

in het hart der zeeën zul je
   de dood van een doorboorde sterven;

9


zul je, als je wat zegt,
   nog zeggen ‘ik ben een god’

in het aanschijn van wie jou ombrengt?-
in handen van wie jou doorboren
   ben je een mens en geen godheid!-

10


in handen van vreemdelingen
   sterf je de dood van alle voorhuiddragers!-

ja, ík heb dit gesproken,
is de tijding van mijn Heer, de Ene.
••

11


Dan geschiedt het spreken van de Ene
   tot mij en zegt:

12


mensenzoon,

hef een klaagzang aan
   over de koning van Tsor,-

en zeg tot hem:
zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
jij, verzegeling van volmaaktheid,
vervuld van wijsheid
   en volmaakt in schoonheid,-

13


in Eden, de tuin van God, ben je geweest:

met allerlei kostbaar gesteente
   om je mee te bedekken:

bloedrobijn, topaas
en diamant,
turkoois, beril en jaspis,
saffier, smaragd
en emerald;
bewerkt goud was je sieraad
   waarin je was getooid,

op de dag dat jij werd geschapen
   waren zij gereed;

14


als een cheroev

met een zalving die overdekt,-
had ik jou gegeven;
op de heilige berg van God ben je geweest,
te midden van stenen van vuur
   wandelde jij;

15


volkomen was jij op al je wegen

sinds de dag dat je werd geschapen,-
totdat er bij jou oneerlijkheid
   werd gevonden;

16


in de overvloed van je handel

werd jouw binnenste vol geweld
   en ging je zondigen;

ik ontwijdde je, deed je weg van Gods berg
   en liet je verdwijnen, overdekkende cheroev,

uit de stenen van vuur;

17


door je schoonheid werd je hart hoogmoedig,

je vergooide je wijsheid
   om je lichtende verschijning;

ik heb je ter aarde geworpen,
je voor het aanschijn
   van koningen prijsgegeven
   om op je neer te zien;

18


vanwege je vele ongerechtigheden,

door de valsheid van je handel,
heb je je heiligdommen ontwijd;
ik liet uit je midden een vuur voortkomen,
   en dat heeft je verteerd,

ik gaf je prijs als as op de aarde
voor de ogen van allen die jou aanzien,

19


allen onder de gemeenschappen
   die jou kennen

zijn verbijsterd over je;
een verschrikking ben je geworden,
jij bent weg tot in eeuwigheid!