Instellingen

1


Hij laat mij terugkeren

naar de ingang van
   het huis,

en zie, er stromen wateren naar buiten
van onder de dorpel
   van het huis naar het oosten,

want de voorkant van het huis
   is op het oosten;

de waterstromen dalen neer
van onder de rechter schouder van het huis,
van de zuidkant van het altaar.

2


Hij leidt mij door de noorderpoort
   naar buiten

en laat mij buitenom draaien
naar de buitenpoort
die gewend staat
   in de richting van het oosten;

en ziedaar waterstromen die opborrelen
vanuit de rechter schouder.

3


De man gaat op het oosten naar buiten,
   met een meetlint in zijn hand,
   en meet duizend el af;

dan laat hij mij het water oversteken:
   water tot de schenen.

4


Weer meet hij er duizend af

en laat hij mij het water oversteken:
   water tot de knieën;

weer meet hij er duizend af
en laat hij mij oversteken:
   water tot de lendenen.

5


Weer meet hij er duizend af:

een beek
die ik niet eens kán oversteken,-
want de waterstromen staan zo hoog
   dat het water is waar je moet zwemmen,

een beek die niet over te steken is.

6


Hij zegt tot mij:
   heb je dat gezien, mensenzoon?

Dan helpt hij mij lopen en terugkeren
   naar de oeverlip van de beek.

7


Als ik terugkeer,

ziedaar, op de oeverlip van de beek
is geboomte, zeer overvloedig,-
de ene kant en de andere kant.

8


Hij zegt tot mij:

deze wateren stromen weg
naar het Galilea in het oosten
en dalen neer op de Jordaansteppe;
zijn ze bij de zee aangekomen
in die stinkende watermassa’s,
   dan zullen die wateren genezen worden!-

9


geschieden zal het
   dat alle levende ziel
   waarvan het zal wemelen

overal waar de beek komt, zal overleven
en dat de vis zeer overvloedig zal worden;
want zijn deze waterstromen
   daar aangekomen

dan worden ze genezen en leven ze
overal waar de beek komt;

10


geschieden zal het:
   er zullen vissers bij hem staan

van Een Gedi tot Een Eglajim,
droogplaatsen voor netten zullen er zijn;
zijn vis zal er zijn naar zijn aard,
en als de vis in de grote zee
   zo zeer overvloedig;

11


zijn moerassen en zijn poelen,
   die zullen niet genezen,
   aan het zout zijn die prijsgegeven;

12


aan de beek zal opschieten, op zijn oeverlip
   aan de ene kant en de andere kant,

allerlei geboomte om van te eten,-
welks blad niet verwelkt
   en welks vrucht niet opraakt:

elke maand draagt het eerstelingen,
want zijn waterstromen,
uit het heiligdom komen die voort;
zijn vrucht zal er zijn om te eten
en zijn blad tot genezing!
••