Instellingen

1


Dan roept tot mijn oren

een grote stem, die zegt:
nadert, bezoekingen voor deze stad,-
ieder zijn verderfelijkste wapen in zijn hand!

2


En ziedaar, een zestal mannen

komen aan, vanaf de weg van de Bovenpoort
die naar het noorden gewend is,
ieder met zijn gruizelwapen in zijn hand,
maar één in hun midden is gekleed in linnen
en heeft de inktkoker van een schrijver
   aan zijn lendenen;

ze komen binnen en blijven stilstaan
terzijde van het (slangen)bronzen altaar?

3


De glorie van Israëls God

is opgestegen van de cheroev
   waarop hij tot dan heeft gerust,

naar de dorpel van het huis,-
en roept
tot de man die gekleed is in het linnen,
met een inktkoker van een schrijver
   aan zijn lendenen.

••

4


De Ene zegt tot hem:

trek dwars door de stad,
dwars door Jeruzalem,-
en teken een kruis op de voorhoofden
van die mannen die zuchten en kermen
over alle gruweldaden
die in haar midden worden gedaan!

5


Maar tot de anderen heeft hij
   voor mijn oren gezegd:

trekt na hem door de stad en slaat neer;
laat uw oog niemand ontzien
   en spaart niets en niemand!-

6


oude man,

jongeling en jonge vrouw,
   kinderen en vrouwen,
   vermoordt ze, verderft ze!,

maar elke man op wie dat kruis staat,
   raakt die niet aan,

bij mijn heiligdom moet ge beginnen!
Zij beginnen
bij de oude mannen
voor de voorgevel van het huis.

7


Dan zegt hij tot hen: verontreinigt dit huis,

vult de voorhoven met doorboorden
   en trekt dan uit!

Zij zijn uitgetrokken
   en hebben toegeslagen in de stad.

8


En het geschiedt, met dat zij toeslaan

en ik nog rest,-
dat ik op mijn aanschijn neerval
   en het uitschreeuw;

ik zeg: ach, mijn Heer, Ene,
verderf jij
heel Israëls rest
door je gloeiende gramschap uit te storten
over Jeruzalem?

9


Hij zegt tot mij:

de ongerechtigheid
   van het huis Israël en Juda
   is zeer, zeer groot;

het land is vol van bloedvergieting
en de stad vervuld van rechtsverkrachting,-
want -hebben ze gezegd-
de Ene heeft dit land verlaten,
er is geen Ene die ziet!-

10


dus doe ik zo:

mijn oog ontziet niemand
   en ik spaar niemand en niets;

hun weg laat ik neerkomen
   op hun eigen hoofd!

11


En ziedaar,

de man gekleed in het linnen
met de inktkoker aan zijn lendenen
keert met een spreken terug en zegt:
ik heb gedaan
zoals gij mij hebt geboden!
••