Instellingen

1


Bij de derde nieuwemaan

sinds de uittocht van de zonen Israëls
   uit het land van Egypte,

op deze dag
zijn ze aangekomen in de woestijn Sinaï.

2


Ze breken op van Refidiem,

ze komen aan in de woestijn Sinaï
en legeren zich in de woestijn;
Israël legert zich tegenover de berg.

3


Als Mozes is opgeklommen tot God,-

roept de Ene hem toe vanaf de berg en zegt:
zó zul je zeggen tot het huis van Jakob
en zul je melden aan de zonen Israëls:

4


zelf hebt ge gezien

wat ik heb gedaan aan Egypte;
ik draag u op vleugels van arenden
en doe u komen tot mij;

5


welnu,

als ge horende hóórt naar mijn stem
en mijn verbond bewaakt,
dan zult ge mij kostbaarder worden
   dan alle gemeenschappen;

want van mij is heel het aardland;

6


gíj zult mij
   een koningshuis van priesters worden,

een volk van heiliging!-
dit zijn de woorden
die je tot de zonen Israëls moet spreken!

7


Mozes komt aan

en roept de oudsten van de gemeente bijeen;
hij legt voor hun aanschijn neer
al deze woorden
die de Ene hem heeft geboden.

8


Ze antwoorden,
   heel de gemeente eendrachtig, en zeggen:

al wat de Ene heeft gesproken
   zullen we doen!

Mozes keert
   met de woorden van de gemeente
   terug tot de Ene.

9


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zie, ik ben komende tot jou,-
in de dichtheid van de wolk,
hiertoe:
hoort de gemeente mijn woorden tot jou
dan zullen ze ook in jou geloven voor eeuwig!
Mozes meldt de woorden van de gemeente
   aan de Ene.

10


Dan zegt de Ene tot Mozes:
   ga tot de gemeente

en heilig hen vandaag en morgen;
laten zij hun kleren wassen,

11


en tegen de derde dag gereed wezen;

want op de derde dag
daalt de Ene
   voor de ogen van heel de gemeente neer
   op de berg Sinaï!-

12


grens de gemeente rondom af en zeg:

wacht u ervoor om de berg te beklimmen
   of zelfs maar zijn rand aan te raken:

al wie de berg aanraakt
   zal sterven, ja sterven!-

13


geen hand rake hem aan,

want gestenigd, ja gestenigd wordt hij
   of door de schutter doorschoten;

dier of mens: hij zal niet overleven;
pas bij de lange toon van de jubelhoorn
zullen zíj de berg beklimmen!

14


Dan daalt Mozes neer van de berg,
   naar de gemeente;

hij heiligt de gemeente
en zij wassen hun kleren.

15


Hij zegt tot de gemeente:

weest over drie dagen gereed;
treedt niet nader tot een vrouw!

16


Dan geschiedt het op de derde dag,
   als de ochtend geschiedt:

dan geschiedt het: stemmen, bliksemstralen,
   een zwaar wolkendek
   over de berg,

en de stem van een ramshoorn,- zéér sterk;
heel de gemeente in het legerkamp beeft.

17


Mozes leidt de gemeente
   God tegemoet, het legerkamp uit;

zij stellen zich op onderaan de berg.

18


De berg Sinaï is een en al rook

van het schijnsel waarmee de Ene
   op hem is neergedaald in vuur;

zijn rook stijgt op als de rook van de oven;
heel de berg beeft zéér.

19


Dan geschiedt de stem van de ramshoorn

die dóórgaat en zéér sterk wordt;
Mozes spreekt
en God antwoordt hem in een stem.

20


Dan daalt de Ene neer op de berg Sinaï,
   op de top van de berg;

de Ene roept Mozes naar de top van de berg
   en Mozes klimt op.

21


De Ene zegt tot Mozes:

daal af, betuig in de gemeente
dat ze niet doordringen tot de Ene
   om te zien,-

gevallen is er al te veel van hen!-

22


ook de priesters die tot de Ene toetreden
   zullen zich heiligen,

opdat de Ene niet losbreekt tegen hen!

23


Dan zegt Mozes tot de Ene:

de gemeente zal niet bij machte zijn
op te klimmen naar de berg Sinaï;
want zelf hebt gij
het bij ons betuigd, en gezegd:
grens hem af, de berg, en houd hem heilig!

24


Dan zegt tot hem de Ene: ga, daal af;

en klim dan op, jij en Aäron samen met jou;
de priesters en de gemeente:
laten ze niet doordringen om op te klimmen
   tot de Ene,
   opdat hij niet tegen hen losbreekt!