Instellingen

1


Als de dief

in de kleine uren wordt betrapt
   en doodgeslagen wordt,-

géén bloedschuld treft hem.

2


Maar als de zon over hem is gaan schijnen
   is er een bloedschuld over hem;

hij moet met vrede tevreden stellen;
en als hij niets heeft
zal hij om zijn diefstal worden verkocht.

3


Als hij, betrapt, wordt betrapt
   met het gestolene in zijn hand,

van os tot ezel tot schaap, in leven,
zal hij het met het dubbele tevreden stellen.
••

4


Stel, een man graast een veld
   of een wijngaard af

en hij laat zijn kudde daar los
en graast dus op het veld van een ander:
met het goed van zijn eigen veld
   en het goed van zijn eigen wijngaard
   zal hij tevreden stellen.

••

5


Stel, er breekt een vuur uit,
   het heeft een doornhaag getroffen
   en een graanschelf is verteerd,

of het staande (graan), of het veld zelf:
met vrede tevreden stellen
zal de brandstichter voor de brand.
••

6


Stel, een man geeft bij zijn naaste

zilvergeld of voorwerpen in bewaring,
en het wordt gestolen
   uit het huis van die man:

als de dief wordt betrapt
zal die met het dubbele tevreden stellen.

7


Maar als de dief niet wordt betrapt

zal men de heer des huizes
   doen naderen tot God:

of hij niet zijn hand heeft uitgestoken
   naar het loon van zijn naaste.

8


Over elke zaak waar iets scheef is,

over een os,
over een ezel, een schaap, een mantel,
   over alles wat verloren is,

waarvan er een zegt dat dát het is,
zal tot God komen
het woord van hen beiden;
hij wien goden als boosdoener aanwijzen
zal aan zijn naaste met het dubbele tevreden stellen.
••

9


Stel, een man geeft bij zijn naaste
   een ezel of een os of een schaap
   of welk beest ook in bewaring,

en het is doodgegaan of heeft iets gebroken
   of is geroofd terwijl niemand het zag:

10


een eed voor de Ene

zal er dan geschieden tussen hen beiden:
of hij zijn hand niet heeft uitgestoken
   naar het loon van zijn naaste;

de eigenaar ervan
   moet (de uitkomst) aannemen en
   híj hoeft niet tevreden te stellen.

11


Maar als het in een diefstal
   bij hem wordt gestolen

zal hij de eigenaar ervan tevredenstellen.

12


Als het door een verscheurder
   wordt verscheurd
   moet hij het laten komen als getuigenis;

voor het verscheurde
   hoeft hij niet tevreden te stellen.

13


En stel, er vraagt een man
   bij zijn naaste iets (te leen)
   en het heeft iets gebroken of is doodgegaan:

was de eigenaar ervan er niet bij,
   dan moet hij met vrede tevreden stellen.

14


Als de eigenaar ervan erbij was,
   dan stelt hij niet tevreden;

als het gehuurd was,
zal het komen bij de huurprijs.
••

15


Stel, een man verleidt

een maagd die nog niet werd uitgehuwelijkt
   en hij heeft zich bij haar neergelegd:

wervend zal hij haar
   zich verwerven tot vrouw.

16


Als haar vader weigert-en-weigert
   haar aan hem te geven,

zal hij toch zilvergeld afwegen
volgens de bruidsprijs van de maagden.
••

17


Een gifmengster laat je niet in leven!

18


Al wie een beest beslaapt zal de dood sterven!

••

19


Wie offert aan de goden gaat in de ban,-

tenzij aan de Ene alleen!

20


Een zwerver zul je niet vernederen
   en niet verdrukken;

want zwervers-te-gast zijn jullie geweest
   op het land van Egypte!

21


Geen enkele weduwe of wees
   zul je vernederen;

22


als je die tóch in vernedering vernedert,

ja, als die het
   schreeuwend uitschreeuwt tot mij,

zal ik, één-en-al-oor, zijn geschreeuw hóren!-

23


ontbranden zal mijn toorn en

ombrengen zal ik jullie met het zwaard;
worden zullen jullie vrouwen: weduwen,
en je zonen: wezen!

24


Als je zilvergeld leent aan mijn gemeenschap,

aan de arme in je gemeenschap,
zul je voor hem
   niet als een geldschieter wezen:

ge zult hem geen rente opleggen.

25


Als je als pand
   de mantel van je naaste te pand neemt:

vóór de thuiskomst van de zon
   zul je die naar hem laten terugkeren;

26


want dát is zijn bedekking, dát alleen;

dát is zijn mantel voor zijn huid;
waarin zal hij anders slapen?
Zo zal het wezen: als hij tot mij schreeuwt
zal ik hóren, want ik ben genadig!
••

27


Gód zul je niet vervloeken,-

en een verhevene in je gemeenschap
   niet verwensen.

28


Je volheid en je overvloed
   zul je niet achterhouden:

de eersteling van je zonen geef je aan mij.

29


Zo zul je doen met je os en je wolvee;

zeven dagen zal hij bij zijn moeder wezen,-
op de achtste dag geef je hem aan mij.

30


Mannen van toeheiliging
   zult ge voor mij wezen!

Vlees, op het veld verscheurd,
   zult ge niet eten,-

de hond zult ge het toewerpen!
••