Instellingen

21


Geen enkele weduwe of wees
   zul je vernederen;

22


als je die tóch in vernedering vernedert,

ja, als die het
   schreeuwend uitschreeuwt tot mij,

zal ik, één-en-al-oor, zijn geschreeuw hóren!-

23


ontbranden zal mijn toorn en

ombrengen zal ik jullie met het zwaard;
worden zullen jullie vrouwen: weduwen,
en je zonen: wezen!

24


Als je zilvergeld leent aan mijn gemeenschap,

aan de arme in je gemeenschap,
zul je voor hem
   niet als een geldschieter wezen:

ge zult hem geen rente opleggen.

25


Als je als pand
   de mantel van je naaste te pand neemt:

vóór de thuiskomst van de zon
   zul je die naar hem laten terugkeren;

26


want dát is zijn bedekking, dát alleen;

dát is zijn mantel voor zijn huid;
waarin zal hij anders slapen?
Zo zal het wezen: als hij tot mij schreeuwt
zal ik hóren, want ik ben genadig!
••

27


Gód zul je niet vervloeken,-

en een verhevene in je gemeenschap
   niet verwensen.

28


Je volheid en je overvloed
   zul je niet achterhouden:

de eersteling van je zonen geef je aan mij.

29


Zo zul je doen met je os en je wolvee;

zeven dagen zal hij bij zijn moeder wezen,-
op de achtste dag geef je hem aan mij.

30


Mannen van toeheiliging
   zult ge voor mij wezen!

Vlees, op het veld verscheurd,
   zult ge niet eten,-

de hond zult ge het toewerpen!
••