Instellingen

23


Maken zul je een tafel van acaciastammen

een dubbel-el zijn lengte
   en een el zijn breedte,

een el en een halve zijn opstand;

24


overtrek hem met zuiver goud;

maak voor hem een sierlijst van goud,
   rondom;

25


maak voor hem een sluitrand
   van een duimbreed, rondom,

en maak een sierlijst van goud
   aan die sluitrand, rondom;

26


maak voor hem

vier ringen van goud,
en geef de ringen plaats
op de vier hoeken
van zijn vier poten;

27


naast de sluitrand

moeten de ringen zijn,-
als hulzen voor de stangen
om de tafel te dragen;

28


maken zul je de stangen
   van acaciastammen

en overtrekken zul je ze met goud;
daarmee zal de tafel worden gedragen;

29


maken zul je ook zijn schotels en zijn schalen,

zijn kannen en zijn kommen,
waarmee wordt geplengd;
van zuiver goud zul je ze maken;

30


en geef op de tafel plaats aan
   ‘brood van aanschijn’,
   voor mijn aanschijn, altijd.