Instellingen

1


Betsalel, met Oholiav,

en alleman met een wijs hart
in wie de Ene gegeven heeft
   wijsheid en verstand

om te kennen en te doen
alle arbeid voor de dienst in het heiligdom,-
zal doen naar al wat de Ene heeft geboden!

2


Dan roept Mozes:

Betsalel,
Oholiav,
en alleman wijs van hart
aan wie de Ene wijsheid
   in het hart heeft gegeven,

elk wiens hart hem heeft opgeheven
om te naderen tot de arbeid om die te doen.

3


Ze nemen

van voor het aanschijn van Mozes
heel de heffing aan die
de zonen Israëls hebben doen komen
voor de arbeid aan het dienstwerk
   in het heiligdom
   om die te doen;

en zij hebben uit eigen aandrift
   nóg meer gaven tot hem doen komen,
   ochtend aan ochtend.

4


Dan komen alle wijzen aan

die alle arbeid aan het heiligdom
moeten doen,-
man voor man weg van zijn arbeid
   waaraan zij doende waren;

5


ze zeggen tot Mozes,- ze zeggen:

‘ze doen véél meer komen, de gemeente,
dan nodig is ten dienste van de arbeid
welke de Ene geboden heeft te doen!’

6


Dan gebiedt Mozes

en laten ze een stem
   de legerplaats doorkruisen

die zegt:
man of vrouw,
ze moeten géén arbeid meer doen
   aan de heffing voor het heiligdom!

Zo wordt de gemeente ervan weerhouden
   om nog meer te brengen.

7


Werkmateriaal voor heel het werk
   om het te doen

is er genoeg geweest;
er bleef zelfs over!

8


Dan maken ze, al wie wijs van hart is

onder hen die het werk doen,
   de Woning van tien tentkleden;

van getwijnd doek,
azuur, purper en scharlaken karmozijn;
met cheroeviem,
   maaksel van een kunstenaar,
   heeft hij ze gemaakt.

9


De lengte van één kleed:

acht en twintig met de el,-
de breedte: vier met de el
voor één kleed;
één maat voor alle tentkleden.

10


Hij verbindt vijf van de kleden

één aan één;
en weer vijf kleden heeft hij verbonden
één aan één.

11


Hij maakt lussen van azuur

op de lip van het eerste kleed
aan het uiteinde van de verbinding;
zo heeft hij ook gedaan
   met de lip van het kleed

dat het buitenste is
in de tweede verbinding.

12


Vijftig lussen

heeft hij gemaakt
aan het ene kleed
en vijftig lussen
heeft hij gemaakt
   aan het uiteinde van het kleed

in de tweede verbinding;-
de lussen tegenover elkaar gezet
één aan één.

13


Hij maakt

vijftig haken van goud;
en verbindt dan de kleden
   één aan één met die haken;

zo wordt de Woning één.
••

14


Dan maakt hij kleden van geitenhaar

tot een tent over de Woning;
elf kleden heeft hij daarvan gemaakt.

15


De lengte van één kleed:

dertig met de el
en vier ellen
de breedte van één kleed;
één maat
voor elf kleden.

16


Hij verbindt vijf van de kleden apart

en zes van de kleden apart.

17


Hij maakt vijftig lussen

op de lip van het kleed
dat het buitenste in de verbinding is,
en vijftig lussen
heeft hij gemaakt op de lip van het kleed
van de tweede verbinding.

18


Hij maakt vijftig haken van koper,

om de tent te verbinden
zodat hij één wordt.

19


Hij maakt een dekkleed voor de tent

van bloedrode ramshuiden;
en een dekkleed van dassenhuiden
   daaroverheen.

••

20


Dan maakt hij de stijlen voor de Woning;

van acaciastammen, staande.

21


Tien ellen is de lengte per stijl;

een el en de helft van de el
is de breedte van één stijl.

22


Twee handgrepen zijn er

aan één stijl,
geschakeld
één aan één;
zo heeft hij ze gemaakt
aan alle stijlen van de Woning.

23


Zo maakt hij de stijlen voor de Woning:

twintig stijlen
voor de kant van het dorre zuiden.

24


Veertig zilveren sokkels

heeft hij gemaakt
   onder de twintig stijlen,

twee sokkels
   onder één stijl met zijn twee handgrepen,

en twee sokkels onder weer één stijl
met zijn twee handgrepen.

25


Ook voor de tweede zijde van de Woning,
   aan de kant van het noorden,

heeft hij twintig stijlen gemaakt.

26


En veertig zilveren sokkels;

twee sokkels
onder één stijl
en twee sokkels
onder weer één stijl.

27


Voor de heupen van de Woning,
   westwaarts,

heeft hij zes stijlen gemaakt.

28


Twee stijlen heeft hij gemaakt

voor de uiteinden van de Woning,
in de beide heupen.

29


Geweest zijn dat tweelingen

van onderaf komend,
en samengevoegd
zijn ze een gaaf geheel aan de top
in één ring;
zo heeft hij het gemaakt voor die twee,
voor de twee hoekpunten.

30


Het zijn acht stijlen geweest,

met hun sokkels van zilver,-
zestien sokkels dus;
twee sokkels en dan wéér twee sokkels
onder één stijl.