Instellingen

1


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zie!, gegeven heb ik jou aan Farao als God;
en Aäron, je broeder,
   zal er wezen als je profeet!-

2


jíj brengt onder woorden

alles wat ik je gebied;
en Aäron, je broeder,
   voert het woord tot Farao:

heenzenden zal hij de zonen Israëls
   uit zijn land!-

3


maar dan zal ík het hart van Farao verharden

en mijn tekenen
   en mijn wonderen verméérderen
   op het land van Egypte;

4


hij zal niet naar jullie horen, Farao,

ik zal mijn hand (te voelen) geven in Egypte;
uitleiden zal ik mijn strijdscharen,
   mijn gemeente, de zonen Israëls,
   uit het land van Egypte,

in grote gerichten;

5


onderkennen zullen ze, de Egyptenaren,

dat ik het ben, de Ene,
als ik mijn hand uitstrek over Egypte,-
en de zonen Israëls uitleid bij hen vandaan!

6


Dan dóet Mozes -met Aäron- dat;

zoals de Ene hun heeft geboden,
   zó hebben ze gedaan.

7


Mozes is een zoon van tachtig jaar,

en Aäron
een zoon van drie en tachtig jaar,-
als zij het woord richten tot Farao.

8


Dan zegt de Ene

tot Mozes en tot Aäron,- hij zegt:

9


wanneer Farao het woord tot u richt
   en zegt:

geeft voor uzelf een wonderbewijs!,
dan zul jij tot Aäron zeggen:
neem je staf en zend hem uit
   voor Farao’s aanschijn,-
   hij worde een draak!

10


Dan komt Mozes, met Aäron, bij Farao aan

en doen ze zo
zoals de Ene heeft geboden;
Aäron zendt zijn staf uit
voor het aanschijn van Farao
   en voor het aanschijn van zijn dienaars

en hij wórdt tot een draak.

11


Dan roept ook Farao

wijzen en gifmengers,
en doen ook zij, de tekenduiders van Egypte,
   met hun geheime kunsten net zo.

12


Ze zenden elk zijn staf uit

en die worden tot draken;
dan verslindt de staf van Aäron hún staven!

13


Maar sterk blijft het hart van Farao

en hij heeft niet naar hen gehoord,-
zoals gesproken had de Ene.

14


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zwáár is het hart van Farao;
hij weigert
   om de gemeente heen te zenden;

15


ga tot Farao,

in de ochtendvroegte!-
ziedaar, hij trekt uit naar het water;
posteer je, om hem te ontmoeten,
   op de lip van de Stroom,

en neem de staf die veranderde in een slang
   in je hand;

16


zeggen zul je tot hem:

de Ene,
de God der Hebreeërs,
   heeft mij tot u gezonden om te zeggen:

zend mijn gemeente heen,
dat ze mij dienen in de woestijn!-
ziehier, u hebt niet gehoord tot zover;

17


zó heeft de Ene gezegd:

hieraan zult u weten
dat ik de Ene ben:
ziehier, ik sla met de staf die in mijn hand is
op de wateren van de Stroom
   en veranderen zullen ze in bloed!-

18


de vis in de Stroom zal sterven
   en stinken zal de Stroom;

opgeven zullen ze het, de Egyptenaren,
om water te drinken uit de Stroom.
••

19


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zeg tot Aäron:
neem je staf en strek je hand uit
   over de wateren van Egypte,-
   over hun rivieren, over hun stromen
   en over hun moerassen;

over elke opeenhoping van wateren bij hen,
   dat ze bloed worden!-

dan zal het bloed worden
   op heel het land van Egypte,

tot in de bomen en in de stenen!

20


Ze doen zó, Mozes en Aäron,
   zoals de Ene heeft geboden:

hij heft zijn staf op en
   slaat daarmee het water in de Stroom,

voor de ogen van Farao en
voor de ogen van zijn dienaars;
veranderd zijn alle wateren
   in de Stroom in bloed!

21


De vis in de Stroom is gestorven
   en de Stroom is gaan stinken,

en de Egyptenaren
   zijn niet bij machte geweest

om water te drinken uit de Stroom;
het wordt allemaal bloed,
   op heel het land van Egypte.

22


Maar net zó doen
   de tekenduiders van Egypte
   met hun geheime kunsten;

en sterk blijft het hart van Farao
   en hij heeft niet naar hen gehoord,-

zoals gesproken had de Ene.

23


Farao wendt zijn aanschijn

en komt aan in zijn huis;
ook dít heeft zijn hart niet geraakt.

24


Dan graven alle Egyptenaren
   rondom de Stroom
   naar water om te drinken;

want ze zijn niet bij machte geweest
   te drinken

van het water van de Stroom.

25


Vervuld worden zeven dagen

nadat de Ene de Stroom heeft geslagen.