Instellingen

1


Dan zegt de Ene

tot Mozes:
zeg tot Aäron:
strek je hand uit, met je staf,
over de rivieren,
over de stromen en over de moerassen,
en laat over het land van Egypte
   de kikvorsen opklimmen!

2


Dan strekt Aäron zijn hand uit

over Egyptes wateren,-
en klimt de kikvors omhoog
en overdekt het land van Egypte.

3


Net zó doen de tekenduiders
   met hun geheime kunsten:

ze laten de kikvorsen omhoogklimmen
   over het land van Egypte.

4


Dan roept Farao Mozes en Aäron

en zegt: bidt tot de Ene
dat hij de kikvorsen laat wijken
van mij en van mijn gemeenschap,-
dan zal ik de gemeente heenzenden
en kunnen zij offers brengen aan de Ene!

5


Mozes zegt tot Farao:

houd de eer aan uzelf tegenover mij;
voor wánneer zal ik bidden voor u,
voor uw dienaars en voor uw gemeente
om de kikvorsen weg te maaien
van u en uw huis,
dat ze alleen in de Stroom zullen resteren?

6


Hij zegt: voor mórgen!

Dan zegt hij: naar uw woord!-
opdat u weet
dat er géén is als de Ene, onze God;

7


wijken zullen de kikvorsen

van u en van uw huizen,
van uw dienaars en van uw gemeenschap;
alleen in de Stroom zullen ze resteren!

8


Mozes trekt uit -en Aäron-,
   bij Farao vandaan;

dan schreeuwt Mozes tot de Ene
om reden van de kikvorsen,
zoals hij aan Farao heeft voorgesteld.

9


De Ene doet naar het woord van Mozes:

ze sterven weg, de kikvorsen,
uit de huizen,
   uit de voorhoven en van de velden.

10


Ze hopen ze op, vrachten en vrachten;

nu stinkt het lánd!

11


Maar als Farao ziet

dat er ruimte is ontstaan,
maakt hij zijn hart zwaarder;
hij heeft niet naar hen gehoord,-
zoals gesproken had de Ene.
••

12


Dan zegt de Ene

tot Mozes:
zeg tot Aäron:
strek je staf uit
en sla op het stof van het land;
het zal worden tot luizen,
   op alle land van Egypte!

13


Ze dóen zo,

Aäron strekt zijn hand uit, met zijn staf,
   slaat op het stof van het land

en het wórdt luizen,
op mens en dier;
alle stof van het land is luizen geworden
   op alle land van Egypte.

14


Net zó doen de tekenduiders
   met hun geheime kunsten
   om de luizen uit te leiden,
   maar ze hebben het niet vermocht;

dus wordt het: de luizen
op mens en dier.

15


Dan zeggen de tekenduiders tot Farao:

de vinger van God is dit!-
maar hij maakt zijn hart sterk, Farao,
en heeft niet naar hen gehoord,
zoals gesproken had de Ene.
••

16


Dan zegt de Ene tot Mozes:

recht je schouders, in de ochtend,
   en posteer je voor het aanschijn van Farao;

zie, dan trekt hij uit, naar het water;
zeggen zul je tot hem:
zo heeft gezegd de Ene:
zend mijn gemeente heen,
dat ze míj dienen!-

17


want als ú het niet bent

die mijn gemeente heenzendt,
dan ben ik het die over u en uw dienaars,
   uw gemeenschap en uw huizen
   zal uitzenden de hondsvlieg;

vervuld zullen de huizen van Egypte zijn
   van de hondsvlieg,

ja zelfs de –rode– grond waarop zij wonen;

18


wel zal ik op die dag afscheiden
   het land van Gosjen,

waarop mijn gemeente zich staande houdt,
om te voorkomen dat er dáár
   een hondsvlieg zal wezen,-

opdat u weet
dat ik ‘de Ene’ ben, midden op het land* Of: in de schoot van het land.;

19


ik heb een loskoping ingezet

tussen míjn gemeente en uw gemeente;
   tegen morgen zal dit teken er wezen!

20


Dan doet de Ene zó,

en komt er een zwerm hondsvliegen
naar het huis van Farao
   en het huis van zijn dienaars;

over heel het land van Egypte
   wordt het land verwoest
   door de verschijning van de hondsvlieg.

21


Farao roept

tot Mozes en Aäron;
hij zegt:
gáát, offert aan uw God
   op dit land!

22


Mozes zegt:

niet verstandig is het zó te doen,
want wat voor Egypte een gruwel is
offeren wij aan de Ene, onze God;
als wij daar Egyptes gruwel
voor hun eigen ogen slachten,
   stenigen ze ons dan niet?-

23


een weg van drie dagen

willen we gaan in de woestijn;
om te offeren aan de Ene,
   onze God,

zoals hij tot ons zegt!

24


Farao zegt:

ik, in eigen persoon,
zend u heen en ge zult offers brengen
aan de Ene, uw God, in de woestijn;
alleen, verwijdert u niet zo ver en wijd
   dat ge echt weggaat!-

bidt voor mij!

25


Mozes zegt:

zie, ik trek uit,
   bij u vandaan en zal bidden tot
   de Ene,

dan is mórgen de hondsvlieg geweken
van Farao, van zijn dienaren
   en van zijn gemeenschap;

alleen:
laat Farao niet meer liegen
om dan de gemeente níet heen te zenden
om te offeren aan de Ene!

26


Uit trekt Mozes, bij Farao vandaan;

en bidt tot de Ene.

27


Dan doet de Ene naar het woord van Mozes

en wijkt de hondsvlieg
van Farao, van zijn dienaars
   en van zijn gemeenschap;

niet één heeft er geresteerd.

28


Maar Farao maakt zijn hart zwaar,

ook déze keer;
hij heeft de gemeente niet heengezonden.