Instellingen

3


Als zijn toenadering een opgangsgave
   uit het rundvee is,

moet het mannelijk en volmaakt zijn
   wat hij doet naderen;

tot de ingang van de tent van samenkomst
   doet hij het naderen,

om welgevallen te vinden
   voor het aanschijn van
   de Ene.

4


Met zijn hand zal hij steunen

op de kop van de opgangsgave;
die zal welgevallen bewerken voor hem
   om over hem verzoening te brengen.

5


Kelen zal hij het runderjong
   voor het aanschijn van de Ene.

Doen naderen zullen de zonen van Aäron,
   de priesters,

het bloed,
en het bloed rondom over
   het altaar sprenkelen

dat bij de ingang
   van de tent van samenkomst staat.

6


Villen zal hij de opgangsgave;

en haar opdelen in haar delen.

7


De zonen van Aäron, de priester,
   zullen vuur aangeven
   op het altaar;

stukken hout zullen ze schikken op het vuur.

8


Rangschikken zullen dan

de zonen van Aäron, de priesters,
de delen,
van kop tot smeer,
op de stukken hout op het vuur
op het altaar.

9


Zijn ingewand en zijn poten

wast hij met water af;
dan laat de priester het geheel
   in rook opgaan op het altaar:

als ‘opgang’, vuuroffer,
   reuk die-tot-rust-brengt
   voor de Ene!

••

10


Als iemands toenaderingsgave
   uit het wolvee is,
   een van de schapen of van de geiten
   als opgangsgave:

mannelijk, volmaakt moet zijn
   wat hij doet naderen.

11


Kelen zal hij hem op de noordelijke ‘heup’
   van het altaar
   voor het aanschijn van de Ene;

sprenkelen zullen de zonen van Aäron,
   de priesters,
   zijn bloed rondom over het altaar.

12


Dan zal hij hem opdelen in zijn delen

van zijn kop tot zijn smeer;
schikken zal de priester die
op de stukken hout op het vuur
op het altaar.

13


Het ingewand en de poten
   wast hij met water;

dan doet de priester dat alles naderen
   en in rook opgaan
   op het altaar;

een opgangsgave is dat:
een vuuroffer, een reuk die-tot-rust-brengt
   voor de Ene!