Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes

en tot Aäron
   en zegt tot hen:

2


spreekt tot de zonen Israëls en zegt:

dít is wat er leeft dat ge moogt eten
van alle gedierte op de aarde!

3


Alles

wat als hoefdier een hoef draagt
en een scheuring inscheurt in de hoeven,-
en herkauwsel omhoogbrengt bij de dieren,
dát moogt ge eten.

4


Dus déze zult ge níet eten

van de opbrengers van herkauwsel
en de hoefdragende hoefdieren:
de kameel,-
   want herkauwselopbrenger is hij wel

maar aan de hoef is hij geen hoefsplijter;
besmet is hij voor u!

5


En de klipdas,-

want een opbrenger van herkauwsel
   is hij wel

maar wat betreft de hoef draagt hij geen hoef;
besmet is hij voor u!

6


En de haas,-

want een opbrengster van herkauwsel
   is zij wel

maar wat betreft de hoef draagt zij geen hoef;
besmet is zij voor u!

7


En het zwijn,-
   want een hoefdragend hoefdier is het wel,

en het heeft wel een scheuring
   ingescheurd in de hoef,

maar het herkauwt geen herkauwsel;
besmet is het voor u!

8


Van hun vlees zult ge niet eten

en hun lijk zult ge niet aanraken:
besmet zijn zij voor u!