Instellingen

1


Dan heeft Mirjam -en Aäron ook-

woorden met Mozes
vanwege de Koesjitische vrouw
   die hij heeft genomen,

want hij had
   een Koesjitische vrouw genomen.

2


Ze zeggen:

heeft de Ene enkel en alleen
   met Mozes gesproken?-

heeft hij niet ook met óns gesproken?
Dat hoort de Ene.

3


De man Mozes was zeer zachtmoedig,

meer dan elke andere –rode– mens* Zie de voetnoot bij Nummeri 5,6.
op het aanschijn van de –rode– grond.
••

4


Maar de Ene zegt onmiddellijk

tot Mozes, tot Aäron en tot Mirjam:
naar buiten met je drieën,
   naar de tent van samenkomst!-

en ze gaan gedrieën naar buiten.

5


Dan daalt de Ene neer in een staande wolk

en blijft staan in de ingang van de tent;
hij roept ‘Aäron!’ en ‘Mirjam!’,
en zij tweeën gaan naar buiten.

6


Hij zegt: hoort toch naar mijn woorden!-

als hij een profeet van u zou wezen,
zou ik, de Ene,
mij in een gezicht aan hem bekendmaken,-
in de droom met hem spreken;

7


zo is het niet met mijn dienaar Mozes:

met alles van mijn huis is hij vertrouwd;

8


van mond tot mond

spreek ik met hem,
in wat ik laat zíen en niet in raadsels,-
hij ontwaart de gestalte van de Ene;
waarom hebt ge u dan niet ontzien
om woorden te hebben met mijn dienaar,
   met Mozes?

9


Dan ontbrandt de woede van de Ene
   tegen hen
   en gaat hij heen.

10


De wolk

is geweken van boven de tent
en zie, Mirjam is Egyptisch-ziek,-
   sneeuwwit!

Aäron wendt zich tot Mirjam,
   en zie: Egyptisch-ziek!

11


Aäron zegt tot Mozes:

ik bid je, mijn heer,
leg toch niet op ons de zonde
waarmee we dwaas geweest zijn
   en gezondigd hebben!

12


Laat haar toch niet wezen
   als een dode vrucht,-

die uit de schoot van zijn moeder uittijgt
en voor de helft van zijn vlees al verteerd is!

13


Mozes schreeuwt

tot de Ene en zegt:
God,
toe, breng haar toch genezing!

14


De Ene zegt tot Mozes:

had haar vader gespogen
   en haar in het aanschijn gespuwd,

zou ze niet zeven dagen
   vernederd zijn geweest?-

ze moet worden uitgesloten,-
zeven dagen buiten de legerplaats;
daarna mag ze zich er weer bij voegen.

15


Dan wordt Mirjam uitgesloten,
   zeven dagen buiten de legerplaats;

de gemeente is niet opgebroken
voordat Mirjam zich er bij gevoegd had.

16


Daarná zijn ze opgebroken, de gemeente,
   van Chatserot;

ze legeren zich in de woestijn van Paran.