Instellingen

2


Nu ziet Balak, zoon van Tsipor,

alles wat Israël gedaan heeft met de Amoriet.

3


En zeer bang wordt Moab
   voor het aanschijn van de gemeente,
   omdat die zo talrijk is;

Moab wordt misselijk
van de verschijning
   van de zonen en dochters van Israël.

4


Dan zegt Moab tot de oudsten van Midjan:

nu
is het moment daar
dat ze heel onze omgeving kaallikken,
   die vergadering,

zoals de os
het groen van het veld likt!
Balak, zoon van Tsipor,
   is koning over Moab op dat moment.

5


Hij zendt boden
   tot Bileam, de zoon van Beor,

naar Petor aan de rivier in het land
   van de zonen van Amo,
   om hem te roepen;

hij laat zeggen:
ziedaar, een gemeente is weggetrokken
   uit Egypte
   zie, hij overdekt het oog* Of: oppervlak. van het land,

ja hij heeft zich neergezet pal vóór mij!

6


Welnu, ga toch op weg
   en vervloek voor mij deze gemeente,

want bottiger dan ik is hij:
misschien zal ik dan bij machte zijn
   hem te verslaan

en uit het land te verdrijven;
want ik weet
dat wie jij zegent is gezegend
en wie jij vervloekt wordt vervloekt!

7


Dan gáán de oudsten van Moab
   en de oudsten van Midjan,

met waarzeggeld in hun hand;
ze komen áán bij Bileam
en spreken tot hem de woorden van Balak.

8


Hij zegt tot hen:

overnacht hier maar vannacht,
doen terugkeren zal ik u met een woord
zoals de Ene tot mij zal spreken!
Zo zetten de vorsten van Moab
   zich bij Bileam neer.

9


God komt tot Bileam;

hij zegt:
wie zijn deze mannen bij jou?

10


Bileam zegt tot God:

Balak, zoon van Tsipor, koning van Moab,
   heeft (hen) tot mij gezonden:

11


‘ziedaar de gemeente
   die is weggetrokken uit Egypte,

en nu het oog van het land overdekt;
welnu,
ga mee, hoon hem voor mij,-
misschien zal ik bij machte zijn
   met hem oorlog te voeren
   en zal ik hem dan verdrijven!’

12


Maar God zegt tot Bileam:

je zult niet met hen meegaan!-
je zult die gemeente niet vervloeken,
want gezegend is die!

13


In de ochtend staat Bileam op

en zegt tot de vorsten van Balak:
gaat heen naar uw land,
want geweigerd heeft de Ene
mij te gunnen dat ik met u meega!

14


De vorsten van Moab staan op

en komen aan bij Balak;
ze zeggen:
Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan!

15


Dan voegt Balak nog er aan toe

vorsten te zenden,-
talrijker en meer geëerd dan deze.

16


Ze komen aan bij Bileam;

ze zeggen tot hem:
zó heeft gezegd Balak, zoon van Tsipor:
laat u toch niet weerhouden
   naar mij mee te gaan!,

17


want met buitengewone eer zal ik u eren

en al wat ge tot mij zult zeggen zal ik doen;
ga dan toch mee, hoon voor mij
deze gemeente!

18


Bileam antwoordt

en zegt tot de dienaars van Balak:
al geeft Balak mij zijn huis vol zilver en goud,
ik zal niet bij machte zijn
om te doorkruisen de mond van de Ene,
   mijn God,-

voor het doen van iets kleins of iets groots!-

19


welnu,

zet u toch hier neer, ook gij, de nacht over;
dan zal ik weten
wat de Ene aan het spreken
   met mij zal toevoegen!

20


Dan komt God tot Bileam,

’s nachts,-
en zegt tot hem:
als deze mannen zijn gekomen
   om jóu te roepen,

sta dan op, ga met hen mee;
echter:
het woord dat ik tot jou zal spreken,
   dát zul je doen!

21


In de ochtend staat Bileam op

en zadelt zijn ezelin;
en hij gaat met Moabs vorsten mee.

22


Nu ontbrandt de toorn van God

omdat hij meegaat,
en posteert zich
een engel van de Ene op de weg
   als satan, tegenstrever voor hem,

terwijl hij voortrijdt op zijn ezelin,
met twee van zijn jongens bij zich.

23


Dan ziet de ezelin de engel van de Ene
   geposteerd staan op de weg,

met zijn zwaard getrokken in zijn hand;
de ezelin buigt van de weg af
en gaat verder door het veld;
Bileam sláát de ezelin
om haar terug te laten buigen naar de weg.

24


Dan stelt de engel van de Ene zich op

in een holle goot tussen de wijngaarden:
een muur aan deze kant
   en een muur aan die kant.

25


De ezelin ziet de engel van de Ene,-

ze drukt zich tegen de wand
en drukt de voet van Bileam tegen de wand;
die voegt er aan toe met haar te slaan.

26


Dan voegt de engel van de Ene toe
   aan het doorkruisen

en stelt zich op op een plaats zo nauw
dat er geen uitweg is om af te buigen
   naar links of rechts.

27


Weer ziet de ezelin de engel van de Ene
   en gaat liggen, onder Bileam…

De toorn van Bileam ontbrandt
en hij slaat de ezelin met de stok.

28


De Ene opent de mond van de ezelin;

zij zegt tot Bileam: wat heb ik je gedaan
dat je me hebt geslagen,
nu al drie keer?

29


Bileam zegt tot de ezelin:

omdat je iets hebt uitgehaald met mij!-
ja, was er een zwaard in mijn hand,
dan had ik je nú afgemaakt!

30


De ezelin zegt tot Bileam:

ben ik niet je ezelin, waar je op hebt gereden
vanaf dat je bestaat tot op deze dag?-
is het in mijn zorgen ooit mijn zorg geweest
om je zóiets aan te doen?
Hij zegt: nee!

31


Dan ontbloot de Ene

Bileams ogen
en ziet hij
de engel van de Ene geposteerd staan
   op de weg

met een getrokken zwaard in zijn hand;
hij knielt neer en buigt, op zijn neusgaten.