Instellingen

16


Maar als hij hem met een ding van ijzer
   heeft geslagen
   en hij sterft,
   dan is hij een doodslager:

ter dood gebracht worden zal hij,
   de doodslager.

17


En indien hij

met een steen in de hand
   -waardoor men sterven kan-

hem zo heeft geslagen dat hij sterft,
   dan is hij een doodslager;

ter dood gebracht zal hij worden,
   de doodslager.

18


Of heeft hij

met een ding van hout in de hand
   -waardoor men sterven kan-
   hem zo geslagen dat hij sterft,
   dan is hij een doodslager;

ter dood gebracht zal hij worden,
   de doodslager.

19


Hij die het bloed moet inlossen,

alleen híj mag de doodslager doden;
stuit hij op hem, dan mag híj hem doden.

20


Als hij in haat iemand heeft neergestoten,-

of iets naar hem heeft gegooid
   met voorbedachten rade
   zodat hij sterft,

21


of in vijandschap heeft hij

met de blote hand iemand zo geslagen
   dat hij sterft,

ter dood gebracht worden zal hij die zo sloeg,
   een doodslager is hij;

de inlosser van het bloed
mag de doodslager doden
   zodra hij op hem stuit.