Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

2


gebied de zonen Israëls

dat ze uit de legerplaats heenzenden:
elke Egyptisch-zieke en elke vloeier;
en elk die besmet is door een dode ziel.

3


Van mannelijk tot vrouwelijk: zend ze heen!-

naar buiten de legerplaats
   zult ge hen zenden;

dan kunnen ze hun legerplaatsen
   niet besmetten

waar ík bij hen woon!

4


Ze dóen zo, de zonen Israëls,

en zenden hen heen
naar buiten de legerplaats;
zoals de Ene tot Mozes heeft gesproken,
zó hebben de zonen Israëls gedaan.

5


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

6


spreek

tot de zonen en dochters van Israël:
een man of een vrouw, stel
ze doen één van alle zonden
   van de –rode– mens* Het woordspel in het Hebreeuws tussen adam (mens), adama (grond, bodem) en dam (bloed) wordt weergegeven door toevoeging van –rood– bij mens en grond. Zo is duidelijk dat adam (roodbloedige mens) en adama (door ijzeroxide roodkleurige aarde) zijn afgeleid van dam (bloed).

en zijn zo ontrouw en trouweloos
   tegen de Ene,

dan heeft die ziel schuld op zich geladen.

7


Belijden zullen ze

hun zonde
die ze hebben gedaan:
terugbrengen zal men de hoofdsom
   van wat men schuldig is

en een vijfde ervan daaraan toevoegen;
geven zal men het
aan wie men het schuldig is.

8


Maar als er niemand meer is van die man,
   ook geen losser,

om het verschuldigde aan terug te brengen,
dan is het verschuldigde
   dat wordt teruggebracht
   voor de Ene,
   dus voor de priester;

onverminderd
de ram ter verzoening
waarmee hij over hem verzoening vragen zal.

9


Elke heffing

op welk ook van de heiligheden
   van de zonen en dochters van Israël
   die zij doen naderen tot de priester,
   voor hém zal die wezen.

10


Iemand met zijn eigen heiligdomsgaven:
   voor hém zullen ze wezen;

wat iemand aan de priester geeft,
   voor hém zal het wezen.